Geruis Uit De Kluis

Pater Hugo

Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie). www.paterhugo.nl

  1. 13 hr ago

    Geroepen tot zelfgave

    De lezingen waarover de preek gaat: De profeet Jeremia bad als volgt: Heer, Gij hebt mij verleid, ik ben bezweken, Gij waart mij te sterk. Ik kan niet tegen U op. De hele dag lacht men mij uit, iedereen drijft de spot met mij.Telkens als ik het woord neem, moet ik schreeuwen en 'geweld en onderdrukking' roepen. Het woord van de Heer brengt mij iedere dag schande en smaad.Soms denk ik: Ik wil er niets meer van weten, ik spreek niet meer in zijn naam. Maar dan laait er een vuur op in mijn hart, het brandt in mijn gebeente. Ik doe alle moeite om het in bedwang te houden maar dat lukt me niet. (Jer. 20, 7-9.) Broeders en zusters, ik smeek u bij Gods erbarming: wijdt uzelf aan Hem toe als een levende, heilige offergave, die Hij kan aanvaarden. Dat is de geestelijke eredienst die u past.Stemt uw gedrag niet af op deze wereld. Wordt andere mensen, met een nieuwe visie. Dan zijt ge in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, wat zeer goed is en volmaakt. (Rom. 12, 1-2.) In die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan; dat Hij daar veel zou moeten lijden van de oudsten, de hoge­priesters en de schriftge­leerden, maar dat Hij na ter dood gebracht te zijn op de derde dag zou verrijzen.Toen nam Petrus Jezus ter zijde en begon Hem ernstig daarover te onderhouden: 'Dat verhoede God, Heer! Zo iets mag U nooit overkomen!'Maar Hij keerde zich om en zei tot Petrus: ' Ga weg, satan, terug! Gij zijt Mij een aanstoot, want gij laat u leiden door menselijke overwegin­gen en niet door wat God wil.'En daarna tot zijn leerlingen: 'Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen.Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden.Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als dit ten koste gaat van eigen leven? Of wat zal een mens kunnen geven in ruil voor zijn leven?Want de Mensenzoon zal komen in de heerlijk­heid van zijn Vader, vergezeld van zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden. (Mt. 16, 21-27.) This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

    Geroepen tot zelfgave
  2. 22 Aug

    Emoties zijn achterlijk

    Alle emoties zijn dom, behalve boos zijn, en elke vorm van genuanceerd denken is slap en ontwijkend geleuter. Dat zou je in ieder geval gaan denken als je op het katholieke internet komt. Daar zijn sinds kort de puistige puberjongetjes de baas. Dus moet plotseling alles stoer zijn. En vooral ook heel duidelijk. Dat de oude garde van beroepskatholieken daar moord en brand over schreeuwt is niet zo raar. Het is namelijk echt even wennen, want de wind stond tot voor kort precies de andere kant op. Het klimaat was er uitgesproken vrouwelijk, om het incorrecte woord verwijfd maar even niet te gebruiken, al ligt dat me in deze context wel echt vóór op de tong. ‘Hoe kan je dat nou zeggen, pater!’ roepen de mensen die nooit in een kerk komen nu onmiddellijk. ‘De katholieke Kerk is toch altijd al overdreven patriarchaal en door mannelijke waarden gedomineerd? En vrouwen kunnen toch helemaal geen priester worden en de priesters zijn toch de baas in de Kerk?’ Heel vroeger was dat inderdaad wel zo, maar de werkelijkheid zag er de laatste zestig jaar of zo heel anders uit, zeker in noordwest Europa. Tot voor kort gingen mannen, als ze het even konden vermijden, zelfs liever helemaal niet meer naar de Kerk. Ze kwamen eigenlijk alleen nog als ze werden gedwongen door hun vrouw. Dat kon ze ook moeilijk kwalijk worden genomen. Wat er in de gemiddelde parochiekerk werd opgevoerd stond meestal stijf van de kinderliedjes, de sentimentele gedichtjes en een soort theatrale solidariteit met alles wat zielig was die meestal, eenmaal weer buiten, vooral heel vluchtig bleek te zijn. Hoe dan ook draaide alles om gevoel. Het geloofsonderricht ging niet meer om God en om Jezus, maar om jouw ervaring. ‘Hoe beleef jij dat?’ werd er de hele tijd gevraagd. En ‘Zo voel ik dat nou eenmaal’ was het einde van elke discussie. Je gevoel was de meest uiteindelijke maatstaf van alles. Die wereld is nu in de mist van de tijden verdwenen. Misschien dat hij nog een beetje na-ebt in een enkele afgelegen dorpsparochie, maar ook daar zal het nu wel snel over zijn. Die dingen gaan sneller dan vroeger, door het internet. En het katholieke internet - ik zei het al - zit vol jonge mannetjes. En die hoeven het even niet zo nodig over hun gevoelens te hebben. Weg met de weke therapietaal waarin alles gevoeld en gedeeld en verwerkt moet worden en waarin elk ongemakje een trauma is en elk smaakje een identiteit. Weg met die s**t! Weerbaarheid gaat het om! Discipline, koude douches, op je tanden bijten. Sportschool, gezond eten, doorzetten, op eigen kracht de broek ophouden. Je merkt wel dat de stoïcijnse filosofen in de mode zijn. De filosoof-keizer Marcus Aurelius en Seneca, de opvoeder van de slechte keizer Nero, die hem uiteindelijk vermoordde. Spannende levens, stoere filosofie. En de traditie van de Kerk geeft ze gelijk, toch? De kerkvaders hadden immers ook al niet veel met gevoelens. Dat zijn oprispingen uit het lagere deel van je ziel, bewegingen van je drift en je begeerte, je dierlijke krachten. Het zijn precies je gevoelens die door de demonen worden opgepord om op hol te slaan en je weg van God te sleuren, toch? Daarom moeten ze getemd worden door het intellect. Je gedachten moeten de baas zijn over je emoties. Als je dit soort dingen hoort komen die uiteindelijk van de woestijnvaders. Dat waren de eerste christelijke monniken, die vanaf de derde eeuw leefden in de Egyptische woestijn, bij Alexandrië. Ze waren enorm strijdbare figuren. Ze wilden God zoeken en zich bewijzen tegen de machten van het kwaad. Toen de christenvervolgingen voorbij waren en ze dus niet meer als martelaar konden sterven trokken ze de woestijn in. Daar konden ze in gevecht tegen de demonen en de afgodische geesten van de oude Egyptenaren, en zo alsnog een soort martelaren worden. Ze konden over het algemeen niet lezen en schrijven, en hadden ook niet echt de filosofische bagage om hun eigen ervaringen te kunnen duiden. Ze waren praktische mannetjes, bouwvakkertjes van de ziel, met strenge eenzaamheid en vasten als gereedschap. Ze hongerden de duivel letterlijk uit hun binnenste weg. Nou zouden we geen flauw benul hebben gehad van hun innerlijke wereld als er niet een zekere Evagrius was geweest. Dat was wel een heel onwaarschijnlijk figuur om woestijnkluizenaar te worden. Hij was juist een verwend mannetje dat aan het keizerlijke hof in Constantinopel allerlei deftige baantjes had. Hij was een decadent figuur en kroop bij zoveel mogelijk chique vrouwen in bed. Op een gegeven moment ging dat verkeerd, omdat chique vrouwen nogal eens machtige echtgenoten hebben, die het niet lollig vinden als ze niet zeker weten of hun kinderen wel echt van hen zijn. Evagrius moest dus vluchten en bekeerde zich zowaar tot een vroom leven bij de monniken. Eerst in Palestina, maar dat was een valse start. Na een paar maanden zat hij toch weer in het uitgaansleven van Jeruzalem en met zijn tengels overal waar ze niet hoorden. Hij besloot het dan maar drastisch aan te pakken en trok naar de hardcore kluizenaars, diep in de Egyptische woestijn. Met al zijn intellectuele bagage. Daarmee kon hij wat hij van de woestijnvaders te horen kreeg op zo’n manier opschrijven dat het ook voor buitenstaanders begrijpelijk werd. En hij deed dat aan de hand van de psychologie van Plato. Zo werd diens intellectuele raamwerk de kapstok voor de zo praktische ervaringswijsheid van de woestijnvaders. Plato onderscheidt in de ziel drie krachten of vermogens. Hij beschrijft die als een wagen met een menner en twee paarden ervoor, een wit paard en een zwart paard. Er zijn twee lagere vermogens, de drift - vaak toorn genoemd - en de begeerte. De toorn of drift is het witte paard. Het is zoiets als je levensenergie, je motivatie, je krachtbron. Je dommekracht. Je uithoudingsvermogen ook, trouwens. Het is redelijk braaf, zegt Plato. Het zwarte paard is je begeerte. Dat is de kracht die God je heeft gegeven om je te richten op de dingen die je nodig hebt om je lichaam en je soort in stand te houden. Het zet je aan op zoek te gaan naar voedsel, water, kleren, voortplanting, warmte, enzovoort, enzoverder. Het is wat opstandiger dan het witte paard, wat gevoeliger voor ontsporingen. Je hebt ook een hoger vermogen. Dat is de wagenmenner. We noemen het het intellect. Dat is niet zomaar een rationeel rekenmachientje, maar je eigenlijke, diepe zelf. Dat wat wij tegenwoordig bedoelen als wij het woord ‘ziel’ gebruiken. Je beide lagere vermogens, drift en begeerte, zijn op zichzelf neutraal, niet goed of slecht. Maar ze zijn ook primitief. En ze slaan makkelijk op hol. Dat maakt ze kwetsbaar voor de duivels en de demonen, die jou van God willen vervreemden. Ze willen dat jij in plaats van God de geschapen dingen aanbidt. Vreten, n****n, zuipen. Je overgeeft aan je meest primitieve zelf. Dus kietelen ze je begeerte met ideeën over blote borsten of knapperig gegrilde kippenpoten. In de woestijn is het niet moeilijk om mensen gek te krijgen met dat soort dingen. Die zijn immers verstoken van alles. Evagrius beschreef op basis van de ervaringen van de woestijnvaders acht specifieke dingen waarmee de duivels de monniken in de val probeerden te lokken. Die noemde hij de logismoi, de acht gedachten. Het gaat om vraatzucht, geilheid, hebberigheid, depressie, woede, geestelijke lamlendigheid, ijdelheid en hoogmoed. Paus Gregorius de Grote destilleerde er later de zeven hoofdzonden uit. Ik heb daar al uitgebreid filmpjes over gemaakt, ik zet daar links naartoe in de beschrijving. Om zich tegen die acht gedachten te wapenen ontwikkelden de woestijnvaders verschillende technieken. De belangrijkste was wel het rücksichtslos delen van al je gedachten met je geestelijke vader. Dat dwong je daardoor tegelijk ook om een heel verfijnde zelfobservatie te ontwikkelen. Zo kwamen de woestijnvaders tot een effectieve manier van wat wij tegenwoordig schaduwwerk zouden noemen: je eigen duisternis kennen, je beest in de bek kijken. Het doel daarbij was om de toestand van de passieloosheid te bereiken, de apatheia. Dat klinkt veel versbekeerde katholieke jonge mannetjes als muziek in de oren. Lekker stoer. Geen emo-gesnotter meer, alleen nog gezond verstand. Maar er wordt met die passieloosheid iets anders bedoeld dan zij in eerste instantie denken. Apatheia is geen koude onverschilligheid of een ijzeren controle zonder meer. Apatheia is ook geen eindpunt. Ze is ruimte die vrijgemaakt is voor God. Ze is bedoeld om moeder van jouw godsontmoeting te worden. Een hemel voor God om in te tronen, in het hart van jouw innigste zelf. De woestijnvaders streefden er niet naar om mannen van steen te worden. Ze wilden hun emoties niet vernietigen, maar ordenen. Vrijwel alle acht gedachten hebben ook een tegenovergestelde goede variant, die evengoed nog steeds emotioneel is. Het verschil is dat die zich laat leiden door het intellect. Niet door waar je zin in hebt, maar door wat je ten diepste wil. Om maar eens een paar voorbeelden te noemen: tegenover de hebzucht is er de ruimhartigheid die ervan geniet je naaste gelukkig te maken met wat je bezit. Tegenover de geestelijke lamlendigheid is er de dankbaarheid bij elk moment dat je even wordt aangeraakt door de aanwezigheid van God. Tegenover de duivelse depressie is er de gave van tranen, het kunnen huilen om je zonden. Dat is een typisch woestijnvadersidee. Die tranen komen uit een fundamenteel besef van je eigen duisternis en kleinheid die je tegelijk helemaal over laten lopen van dankbaarheid voor de genade van God. Allemaal zaken die heel positief zijn, maar wel ook emotioneel. Het gaat er dus inderdaad niet om je emoties te vermoorden, maar ze door de geest te laten zuiveren. De heilige Augustinus dacht er ongeveer hetzelfde over. Hij was bisschop in het huidige Tunesië, dat toen nog christelijk was, en misschien wel de invloedrijkste kerkvader ooit, in ieder geval bij ons in het westen. Als er iemand ooit wereldkampioen zelfreflectie had kunnen worden zou hij het wel geweest zijn. Hij was

    Emoties zijn achterlijk
  3. 15 Aug

    Blauwdrukken van de Werkelijkheid I

    This is a free preview of a paid episode. To hear more, visit www.paterhugo.nl Of je nu Ruusbroec of Eckhart leest, Theresia of Sint Jan van het Kruis, telkens weer schemert er door en onder de woorden een stelsel van lijnen en punten. Noem het maar rustig een verwachtingspatroon, zoals je ook hebt als je naar klassieke muziek luistert. Het is niet expliciet, het ligt er niet bovenop, maar toch weet je vaak al snel hoe de volgende maat gaat verlopen en langs welke bocht de cadenzen naar hun verzadiging zullen stromen. Wie zich met mystieke teksten bezighoudt - en vooral als dat heel erg de breedte ingaat - herkent al snel een merkwaardige contour die op de achtergrond bijna altijd aanwezig is. Nog even kort voor wie hier nog niet zo lang meeleest en -luistert: met mystiek bedoelen we geen vage materie maar de concrete religieuze ervaringen van concrete mensen. Ooggetuigen van ontmoetingen met God. En wij verdiepen ons daar niet in omdat we gedreven worden door ongezonde nieuwsgierigheid naar de intimiteit van andere mensen. Wij proberen alleen een beter begrip te krijgen van ons eigen verlangen naar de vereniging met diezelfde God. Want die leeft per definitie in het innerlijk van elke mens. En die God is in vrijwel alle grote tradities niet zomaar een ‘god’ die deel uitmaakt van een grotere werkelijkheid die hem zou kunnen bevatten. Hij is in tegendeel de Absolute, de eerste Oorzaak en het Doel van alles wat bestaat. Een verhaal over een ontmoeting met die God wordt dan ook doorgaans al snel een verhaal over de meest uiteindelijke aard van alles. En zelfs als dat niet expliciet gebeurt, zit het besef van hoe alles met alles verbonden is en uiteindelijk in God samenkomt vaak alsnog vlak onder de oppervlakte van het verhaal verborgen. En logischerwijs dus ook dat alles op de één of andere manier de beeltenis van die God draagt, zijn handschrift, zijn karakter. Voor niks in heel de wereld geldt dat zo doordringend als voor de mens. Om het deftig te zeggen: nogal wat mystiek leert ons dat we in een fractale wereld leven waarvan God het eerste beginsel is. Logisch dat nogal wat mystici naar klassieke filosofische stelsels grijpen om hun godsontmoetingen te duiden. Daarbij maakt het nauwelijks uit of je met een christelijke, joodse of islamitische mysticus te maken hebt. Ze putten immers allemaal meer of minder rechtstreeks uit de filosofische erfenis van de oudheid. De filosofische stelsels die ze daarvoor uitkozen zijn doorgaans neoplatoons. Ze gaan dus terug op Plato, maar niet rechtstreeks. Ze ademen helemaal de geest van de laat-klassieke filosofen Porphyrius, Plotinus en Proclus. Die waren wel geïnspireerd door Plato, maar verwerkten diens stof op een heel eigen manier. Ze leefden zo rond de vierde en de vijfde eeuw na Christus. Ze brachten nogal graag de schematische ondergrond van de werkelijkheid in kaart met lijntjes en bolletjes, ik zei het al. Ze ontwaarden in de kosmos een soort energetische structuur. Al hun schetsen vertonen een patroon van het Absolute dat zich laat uitstromen in zich steeds verder uitsplitsende elementen. Ze beginnen dus op één ondeelbaar punt, dat als oorsprong van alles wordt gezien. Dat oorspronkelijke volmaakte Ene begint steevast over te stromen of van gedaante te veranderen. Zo ontstaan daaruit veelheden van werkelijkheden die dan uiteindelijk onze dagelijkse realiteit vormen, met al haar in stof uitgedrukte vormen, geuren en kleuren. De werkelijkheid van de geschapen, materiële wereld. En die is fractaal, zei ik al: De onderdelen van de realiteit vertonen in zich bij nadere beschouwing steeds weer hetzelfde tekeningetje van lijntjes en bolletjes. Alles is opgebouwd uit evenbeelden van het oerpatroon. Zoals onze ziel, bijvoorbeeld. Het kleine herhaalt steeds de structuur van het grote. Simpel samengevat komt het neoplatoonse beeld van de kosmos erop neer dat er in het begin een één en ondeelbaar Ene is. Het is niet persoonlijk en het heeft geen eigenschappen. Dat volgt uit het feit dat het één is. Om persoonlijk te zijn moet je je immers bewust zijn van jezelf. Jij die je van jezelf bewust bent zijn jij en jezelf, dus twee, niet één. En als je ook nog eens eigenschappen hebt ben jij er niet alleen met jezelf, maar ook nog met je eigenschappen. Je snapt de manier van denken, neem ik aan. Tegelijk kan dat Ene bij die neoplatonici niet anders dan overstromen en andere dingen voortbrengen uit zichzelf. ‘Emaneren,’ noemen ze dat. Het is geen scheppen uit vrije wil, het Ene is zich er niet eens van bewust, want het Ene heeft geen bewustzijn, zei ik al. Het wordt ook niet anders van al dat geëmaneer, trouwens. Het vermindert er niet door, wat er ook allemaal uitstroomt. Het is immers niks anders dan één. Dit hele proces werd vaak vergeleken met de zon, die hetzelfde blijft maar wel stralen uitzendt. Die vergelijking gaat trouwens mank, maar je snapt waarschijnlijk wel wat ze bedoelen. Bij Plotinus, de grondlegger van de stroming, brengt het Ene allereerst een intellectueel principe voort. Dat bevat de ideeën, de ideale blauwdrukken voor al het andere dat ooit zou kunnen bestaan. Wie het werk van Plato heeft gelezen, herkent er onmiddellijk de ideeënwereld in. Daaruit emaneert dan weer de ziel van de wereld, die heel het universum bezielt en bestiert. Ook de menselijke zielen emaneren daaruit. Die kijken naar boven, naar het intellect en naar de ideeën daarin en halen daar orde en inspiratie uit. Daarmee geven ze vorm aan de lagere materie beneden. Want hoe verder alles weg emaneert van het Ene, hoe materiëler het wordt. Uiteindelijk, zo ver verwijderd van het ene dat er niks meer te emaneren valt, is er alleen nog de vormeloze stof. Voor Plotinus is dat in feite het pure kwaad. Niet omdat het uit zichzelf slecht is, maar omdat het verstoken is van de invloed, de orde, vorm en sprankeling van het Ene. Niet voor niets noemde Augustinus, die sterk door het neoplatonisme beïnvloed was, het kwaad de ‘privatio boni,’ het ontbreken van het goede. Van daaruit kan het natuurlijk alleen nog maar beter worden: alleen nog terug omhoog, terug naar het Ene. En dat gebeurt dan ook. Er is niet alleen een uitvloeien van alles maar ook een terugbuigen naar het Ene. Proodos en epistrophe noemden de neoplatonisten dat, voortgang en terugkeer. Dit alles moet je niet zien als een opeenvolging van stappen in de tijd, trouwens. Het gebeurt allemaal tegelijkertijd en dus ook voortdurend. Een beetje te vergelijken met een netwerk waar stroom op staat. Het is niet moeilijk te begrijpen dat een dergelijke filosofie veel herkenningspunten bood aan mensen die hun geestelijke ervaringen probeerden te duiden. Die heimwee hadden naar een thuis waar ze nog nooit geweest waren. Die op de kop waren gezet door ontmoetingen met Iemand die ze nabijer was dan ze zichzelf waren, maar die tegelijk volkomen ongrijpbaar bleef. Ik schrijf ‘Iemand,’ geen ‘Iets,’ want ons beeld van God is in het Westen meestal uitgesproken persoonlijk. Niet alleen in het christendom, maar ook in de islam en het jodendom. Dat geeft ook al gelijk wel aan dat de filosofie van Plotinus moest worden aangepast om ingezet te kunnen worden als vertaalsleutel voor mystieke ervaringen van christenen, moslims en joden. Het onpersoonlijke en onverschillige Ene van Plotinus werd de persoonlijke God. Het willoze, onbewuste emaneren werd het bewust en actief scheppen. De eerste emanatie, het intellectuele principe werd de Logos, de Zoon van God. Dat waren nog best stevige ingrepen, die Plotinus en Proclus zeker niet zouden hebben geaccepteerd. Maar het resultaat was wel een raamwerk dat zo sterk was dat het bijna universeel werd. Op de achtergrond, dat wel, in ieder geval in het christelijke westen. Daar bereikten de neoplatoonse ideeën de mensen vrijwel alleen via de kerkvaders zoals Augustinus en Dionysius de Areopagiet. Zo waren Plotinus en Proclus op den duur stiekem overal, ook al hadden de meeste mensen nog nooit van ze gehoord. Iets vergelijkbaars gold voor de islamitische en joodse contexten, maar op een iets andere manier. Daar bleef wel degelijk werk van de oude filosofen zelf in omloop, maar onder een valse vlag, als de zogenaamde ‘Theologie van Aristoteles.’ De toeschrijving was absurd, maar de invloed was er niet minder om. Hoe dan ook geef ik hier even een schemaatje dat - vereenvoudigd - het beeld van de werkelijkheid in een paar mystieke subculturen in beeld brengt. Op één na zijn ze allemaal neoplatoons beïnvloed. De laatste niet, en veel van mijn collega’s zouden zeggen dat die hier ook helemaal niet thuishoort. Aan het einde van mijn verhaal, in de laatste aflevering van deze reeks, zal ik uitleggen waarom ik het toch even noem. (Als je op het schema klikt zou het groter moeten worden). Vandaag behandel ik dit schema tot en met Pseudo-Dionysius. De rest komt ergens in de komende weken aan bod. Enfin, zack-zack, allez-hop, aan het werk.

  4. 1 Aug

    Zit God tussen je oren?

    Die God van jou, waar je zoveel houvast aan hebt, en die er altijd is als je aan Hem denkt? Zit die niet gewoon tussen je oren? Is elk gebed, elk gesprek met Hem niet gewoon een gesprek met jezelf? Want je loopt Hem niet tegen het lijf als je boodschappen gaat doen, of in het bos als je de hond gaat uitlaten. Je ervaart Hem alleen als je je terugtrekt in jezelf. “God zit dieper in mij dan mijn diepste innerlijk, en hoger dan mijn hoogste topje.” Dat is een wereldberoemde uitspraak van de heilige Augustinus. Het klinkt diep ontroerend en veel mensen moeten er een beetje van snotteren. Maar als je er even goed naar kijkt is het ook best verontrustend. Want als God dieper in je zit dan zelfs je onderbewuste, en meer jou is dan jij jezelf bent - want dat is wat er staat - wat blijft er dan van Hem over, apart van jou? Als de enige weg naar God naar binnen loopt, zit je dan niet gewoon tegen je eigen innerlijke spiegelbeeld te kletsen als je aan het bidden bent? De negentiende-eeuwse filosoof Feuerbach beweerde dat in ieder geval wel. Volgens hem is God niks anders dan de geprojecteerde, uitvergrote essentie van de mens zelf. Wat de mens in God meent te zien - liefde, almacht en goedheid - is volgens hem een spiegel van wat de mens zich wenst, maar naar buiten en omhoog geprojecteerd. En zo denken ook de meeste moderne psychologen erover. Er zijn tegenwoordig zelfs hersendeskundigen - dus geen psychologen maar serieuze wetenschappers - die roepen dat ze het gebed zelf zien oplichten op hun scans en dat dat het mysterie van God wel zo’n beetje heeft opgehelderd. Ik vind dat persoonlijk nog wat aan de haastige kant, maar enfin. Nou gaat het niet aan om voor dit soort vragen weg te lopen. Als je je geloof serieus neemt kan je God niet gaan lopen beschermen tegen de realiteit. God moet jou in standhouden, niet jij God. Vrijwel alle grote mystici hebben met dit probleem geworsteld, dus juist de mensen die zich het diepst hebben gewaagd in de jungle van het gebed en de ingewanden van God. Ook zij hebben het nogal eens over een spiegel, maar ze komen tot een andere conclusie dan de sceptische psychologen. Voor hen is de méns de spiegel, en God degene die in die spiegel kijkt. Zo wordt de mens wel heel letterlijk beeld en gelijkenis van God. De dertiende-eeuwse mysticus Rumi vertelde graag het volgende verhaal, dat in dichtvorm is overgeleverd. Het is wat aan de lange en breedsprakige kant voor de gefrituurde tiktokbreinen van tegenwoordig. Daarom geef ik hier maar even een vrije vertaling ervan. Het gaat over Mozes. Die trok eens door de velden toen hij een zacht gemompel hoorde vanaf een heuveltje even verderop. Op een dag hoorde Mozes hoe een herder tot God bad, O, God, o God, mijn Heer en nog wat verder dan dat, “Waar woont U toch, ik wil U dienen als uw trouwe knecht, Ik lap uw ouwe schoenen en ik kam uw kapsel recht. Ik was uw kleren en verjaag de schurft en de vlooien en ik breng U zoete melk van de beste van mijn ooien. Ik masseer uw zere voeten en kus uw zachte handen, ik stop U lekker in en poets U ook de tanden. Ik doe uw sokken en uw pyjama’s in de was, en ik stop ook nog de gaten in uw zondagse jas. Zo bazelde hij verder in kinderlijke waan, En maakte zo Mozes de kachel aan. Die vroeg hem: zeg, wat is dat hier voor dom geleuter? Tegen wie ben jij daar aan het kletsen als een domme kleuter? De Herder, in de war, verbaasd en ook nog ontzet, keek op en zag wie hem daar had gestoord in zijn gebed. Hij zei: “Ik bid tot God die heel de wereld heeft geschapen, mijzelf en ook de hemel en de aarde en mijn schapen.” Maar Mozes brulde: “Hou je bek, zo praat je niet met God, Straks is Hij nog beledigd en dan slaat Hij je kapot.” Je klinkt oneerbiedig, veel te familiair, je bedoelt het wel goed, maar je bent ordinair. Bewaar je goeie zorgen voor je makkers en je maten, God heeft geen lichaam, heeft geen slaap en ook geen jas met gaten.” De arme herder kromp ineen en zei het spijt me zeer, Sorry, sorry sorry en nog extra sorry meer. Hij zuchtte diep en scheurde ook zijn mantel nog kapot, en verdween in de heuvels, met zijn schapen en zijn God. Tevreden over zijn strenge doch rechtvaardige optreden wandelde Mozes verder door de velden. Hoe konden mensen toch zo dom zijn om te denken dat ze met God konden omgaan als met hun lijpe neefje? Zich voorstellen dat Hij zich ooit zou bezighouden met dezelfde onnozele obsessietjes als zij? Kapotte schoenen? Vlooien? Lieve Hemel! Maar toen donderde een openbaring uit de lucht, En het scheelde niks of Mozes sloeg ervan op de vlucht. En de stem van God zei, woedend als een ouwe buschauffeur; “Jouw verwaten kolder brengt mij smerig uit mijn humeur. Waarom jaag jij van mij mijn trouwe vrienden weg? Als je denkt dat Ik dat leuk vind, ja, dan heb je gloeiend pech. Heb ik je niet gestuurd om mensen éénheid te leren, Waarom loop je hier dan armelui te terroriseren. Was Ik het niet die jou en hem geschapen heeft, en jullie elk voor zich zijn eigen vorm van bidden geeft. Waar hij van droomt brengt in jouw strot de gal omhoog en jouw mooiste woorden klinken in zijn oren veel te droog. Ondertussen ben Ik boven die verschillen verheven, Ik ben, Ik leef, en sterker nog: ik bén het leven. Voor lui uit India klinkt alles beter in Sanskriet, En als Ik geen zes armen heb, herkennen ze mij niet. Voor jullie Perzen zijn alleen de woorden mij waardig, Die ik zelf gezegd zou hebben, en vooruit: die zijn best aardig, Maar hoe dan ook let ik niet op je woorden, op je taal, maar alleen op de bedoeling van je levensverhaal. Door jouw gebed word ik niet zuiverder dan Ik al ben, Maar weet dat ik van elk idee de wortel ken. Dansen en zingen, springen en gillen: Ik weet wat aan de oorsprong ligt van al die grillen. Wat moet ik met gebeden in gebeeldhouwde kwatrijnen, als diep in jou de monsters copuleren als konijnen. Ik heb niks aan metaforen en geciseleerde verzen, Uit de mond van iemand die maar steeds demonen uit blijft persen.” - Toen greep hij Mozes’ hart en legde er geheimen in, Van die hele tere, met een onbegrijpelijk zin. Die Mozes toch verstond, hij werd vervuld van klare taal, Zijn eigendunk smolt weg, het werd een heel ander verhaal. Hij raakte van zijn à propos en toen weer erop, Zijn onder zat nu boven en hij stond op de kop. Hij rende de woestijn in om het herdertje te zoeken, hij kon hem eerst niet vinden en liep als een gek te vloeken. Gelukkig duurde het niet lang voordat hij hem vond, toen stroomden er als water goede woorden uit zijn mond. Bescheiden en beschaamd zei hij: “het spijt me zeer, Sorry, sorry, sorry, sorry, en nog extra sorry meer. Flikker alles wat ik heb gezegd maar over de heg, Ik zat ernaast, ik was verblind en mijn verstand was weg. Stoor je maar niet meer - bij je gebeden - aan de vorm, Voor God zijn je bedoelingen de enige norm. Jouw onverstand is geloof, en jouw geloof Gods eigen Licht, waardoor de wereld wordt gered, waarvoor het duister zwicht. Het beeld dat jij aanschouwt, als je in de spiegel tuurt, Is van jou, niet van de spiegel die het naar je ogen stuurt. De adem ín de fluit is niet de adem ván de fluit, zonder een fluitist komt daar echt geen liedje uit. De radio houdt in zich echt geen diva’s gevangen, Hij krijgt ze uit de ether, al die operagezangen. Zo ook bij jou: wie jouw oprecht gebed bespot, die spot niet met jou, maar met de adem van God. Want die boeit het niet hoe hooggeleerd het bidden klinkt, maar alleen hoe eerlijk in die taal de liefde blinkt.” Dus, lieve kijkbuiskindertjes, als je iemand bidden hoort, bedenk je dan wel drie keer voordat je je eraan stoort. Rumi geloofde duidelijk dat het gebed van God zelf komt. Dat het bij iedereen weer anders klinkt, maar in essentie toch steeds hetzelfde gebed is. Zoals lucht die door een fluit wordt geblazen of licht dat op een spiegel valt. De fluit en de spiegel kleuren wel de klanken en beelden die je hoort en ziet, maar uiteindelijk is er stiekem alleen maar adem, alleen maar licht. En die adem en dat licht zijn niet van die fluit en die spiegel. Ze zijn afhankelijk van de fluitist, van de zon, van degene die in de spiegel kijkt. Van God, want daar is deze metafoor om te doen. Het gebed is niet van de bidder, maar van God. En dat geldt niet alleen voor je gebed, maar voor heel je bewustzijn. Je hier en nu. De zalige Jan van Ruusbroec maakt ergens de volgende opmerking: “God schept de mens uit het niets, dat Hij gaat halen uit het nergens. Daarom neigt die mens naar dat niets in dat nergens. Dan stroomt hij uit zichzelf weg in verlorenheid, Hij zinkt weg in het simpele Wezen van God als in zijn eigen Grond en hij sterft in God. En sterven in God: dat is zalig zijn, volgens Ruusbroec. Onze diepste grond is niet van onszelf, zegt hij, we krijgen die maar geleend van God. En als we ons dus inkeren in onszelf kan het niet anders of we komen Hem daar tegen. En net als dat herdertje van Rumi kleden we Hem dan aan en poetsen zijn schoenen en kammen zijn haar. Wij missen zijn essentie omdat we niet anders naar Hem kunnen kijken dan door ons eigen glas. En dat glas is gebobbeld en gekleurd en ook niet schoon. En hoe meer je je best doet om er iets door te zien, hoe troebeler het vaak lijkt. Want niet je moeite brengt je uiteindelijk bij God, maar je overgave. Je loslaten. Hoe harder je je inspant om er iets van te begrijpen, hoe stijver je je billen bij elkaar knijpt, hoe minder je van Gods waarheid te zien krijgt, en hoe meer van je eigen voorstellingsvermogen. Goed: de mystici zeggen dus dat het zelf van de mens het gevolg is van Gods aanwezigheid. De verlichtingsfilosofen en de hogepriesters van de moderne psychologie zeggen dat de ervaring van Gods aanwezigheid een gevolg is van het zelf van de mens. Precies het omgekeerde. Nou ben ik geen Amerikaanse apologeet, dus ik ga hier niet kinderachtig liggen te hakketakken. Je gelooft waar je zin in hebt, mij zal het worst wezen. Uiteindelijk is het toch wat het is, wat jij en ik er ook van vinden. Voor de volledigheid van het p

    Zit God tussen je oren?
  5. 17 Jul

    Ben ik authentiek katholiek?

    Ben jij zo’n katholiek die de westerse beschaving beschermt tegen de homo’s, de islam en de boze meisjes met blauw haar? Hoef jij niet meer te piekeren over dingen omdat je op de dag dat je gedoopt werd hebt besloten om all in te gaan? Dus gewoon lekker alles te geloven en te doen zoals het in de catechismus staat? Ben jij zo iemand die zijn hele leven even kan vergeten bij de kerkdeur, of als je een katholiek boek pakt, of het katholieke internet opgaat? Schrijf jij “Traditie” met een hoofdletter ‘T?’ Ben jij altijd op zoek naar de zuiverste moraal en de onveranderde leer van Trente? Gefeliciteerd, dan ben je niet aan het katholieken, maar aan het larpen. (Intro) Larpen, voor wie er nog nooit van gehoord heeft, is live action role play. Je leeft voor een paar uurtjes, of liever nog een heel weekend, in een alternatieve wereld. Een wereld die een beetje op de middeleeuwen lijkt, maar dan zonder de stront en de ziekten. En mét een snufje magie. In die wereld ben je iemand anders, iemand die je zelf hebt kunnen bedenken. Als je normaal een onzeker kletsmeisje bent, ben je daar een vrouw die met haar blikken kan bevelen en die beweegt als een kat. Ben jij in je dagelijkse leven een nerveuze magere serverbeheerder, dan ben je daar een mysterieuze zwijgzame prins van wie de vrouwen zwak in de knieën worden. Enfin, je snapt het idee. Je kan er lekker helemaal in verdwijnen, maar tegelijk is het ook veilig. Je voert een dubbele boekhouding. Je wéét immers dat je aan het larpen bent, en de mensen die met jou meelarpen ook. Het is alsof je een lucide droom hebt: een droom waarin je weet dat je aan het dromen bent en waarin je dus alles kan laten gebeuren wat je wilt. En zodra je het bos uitloopt is het spel over, of in ieder geval op pauze gezet. Precies zo’n dubbele boekhouding zie ik op moment ook bij fanatieke katholieken, vooral de hele orthodoxe en traditionele. Degenen die, zeg maar, extra hun best doen. Volgens mij bedoelen ze het wel goed en hebben ze het ook zelf niet in de gaten, maar ze bewegen zich in twee werelden tegelijk. En van die twee is de katholieke vaak niet degene waar ze echt in léven, maar degene waarin ze dat leven juist even kunnen ontvluchten. Hun katholieke leven is niet hun realiteit, maar hun geestelijke vakantie-oord. Want ook jij bestaat, net als ik, in een wereld van iphones, evolutiebiologie en kwantummechanica. En ruimtetelescopen. Als je daarin koekeloert zie je sterrenstelsels die dertien miljard lichtjaar van ons vandaan bestaan. Of hébben bestaan, ooit. Ook jij weet van DNA en van dinosaurussen. Je weet dat de aarde vierenhalf miljoen jaar oud is en dat er duizenden godsdiensten bestaan of hebben bestaan. In verre oorden waar Jezus en zijn Evangelie net zo exotisch zijn als de zesde incarnatie van Vishnu hier. Maar waar de mensen evengoed voortdurend zoeken naar de God die ze hun bewustzijn en hun leven schenkt. En waar ze even goed houden van warmte en vrede en een hekel hebben aan haat en nijd. Maar als katholiek larpertje knijp je tegen dat alles je billen bij elkaar en prent je je in dat je een Europese middeleeuwer bent die nog nooit buiten zijn dorp is geweest. Dat de hemel een reeks van concentrische schijven is, waarvan de buitenste bezaaid is met gaatjes waardoor het licht van de hemel door het duister priemt in de vorm van sterretjes. Dat ergens daarboven een soort verdiepingen van wolkenslierten zijn. Daarop zitten de Vader, de Zoon, de Heilige Geest en alle heiligen en engelen. En die smeden plannetjes voor de mensen op aarde. Soms helpen ze je een parkeerplaatsje te vinden en soms laten ze je kanker krijgen of opvreten door een tijger. Dat geeft allemaal niks, want als je dan dood gaat hebben ze een soort eeuwige Efteling voor je klaarliggen. Tenminste, als je een beetje meewerkt met hun plannetjes. Die plannetjes droppen ze grotendeels in schriftelijke vorm, als iets wat we Bijbel noemen. Dat is niet ideaal, want de goddelijke Personen zijn klaarblijkelijk niet bijster bedreven in helder en consequent formuleren. Gelukkig weten ze dat zelf ook, dus hebben ze op aarde een ambtenarenapparaat van godgewijde mensen opgetuigd om hun schrijfsels uit te leggen. En regeltjes te stellen. Nou klinkt het alsof ik mijn eigen godsdienst niet serieus neem, maar het is juist andersom. Volgens mij is het christendom veel te kostbaar om te worden klemgezet in een primitief stadium uit een ondertussen ver verwijderd verleden. Godsdiensten zijn talen om het onuitsprekelijke toch te kunnen zeggen. En om, andersom, de Absolute te kunnen verstaan. Het zijn brillen om het goddelijke fundament van de werkelijkheid zowel te kunnen zien als jezelf eraan te tonen. Natuurlijk vindt elke godsdienst zichzelf minstens de beste en vaak de enige ware. En natuurlijk geldt dat ook voor ons, katholieken. Nou word je het over zoiets natuurlijk nooit eens, maar het lijkt er niet op dat we ons over het katholicisme bijzonder moeten schamen. Natuurlijk wordt het gedragen door mensen en die verputsen de zooi soms ongenadig. Maar als het op zijn best is en niet wordt misbruikt past het beestje zelf subliem op wie de mens is. Schepping, zondeval, verbond, incarnatie, verlossing, voleinding - het is allemaal te mooi om niet waar te zijn, minstens op de één of andere manier. Mits je de realiteit zoals die zich gewoon aan je voordoet wél respecteert. En dus niet gaat proberen de gekende waarheid te verdraaien om elk detail van je dogmatische constructie te laten kloppen. Kloppen op precies de manier die je altijd gewend was, ook nog. God gaat beschermen tegen de werkelijkheid. Want dat is, in het beste geval, smakeloos Amerikaans gedoe, maar meestal ook nog gewoon sektarisch. Als juist de mensen die pretenderen de Kerk en het Evangelie het meest ernstig te nemen het katholieke verhaal lezen als een sprookje - kinderachtig letterlijk en vloekend met de meest basale dagelijkse ervaring, dan maken ze het ongeloofwaardig. Want zij proberen zo wel trouw te zijn aan de traditie. Maar echte traditie leeft. Schiet wel op uit het erfgoed - dat dus ook gerespecteerd en gekoesterd moet worden. Maar leeft daaruit tegelijk ook altijd een heel nieuw leven. Hard traditionalisme maakt van het geloof een karikatuur. Een weekendje larpen, ook al is het dan elk weekendje. Want de kennis die je nou eenmaal hebt verdwijnt niet zodra je knielt naast je bank en een kruisje slaat. Wat je op het journaal hebt gezien en in de biologieles hebt geleerd verkruimelt niet in je brein als je je ogen opslaat naar de hemel. De hemel wil dat ook helemaal niet. Dus, nee, er was niet op een concrete dag een moment dat God zijn geduld verloor en heel de wereld verzoop. En in de evolutie van het leven op aarde, al die miljoenen jaren van mutatie en selectie, kan niemand precies het moment aanwijzen waarop er voor de eerste keer een mens verscheen. Een mens die kon liefhebben en nadenken, en die wist dat hij wist en wist dat zijn weten eindig was. En nee, Jezus hing dus niet te sterven omdat Hij een zoenoffer was voor een kwaaie narcistische Vader die nog steeds boos was over een gejatte vrucht van een paar honderdduizend jaar eerder. En die daarom iedereen in een eeuwige frituur wil gooien uit pure gekwetste trots. Als je de boodschap van het christendom ernstig wilt nemen zul je je ermee moeten verzoenen dat die boodschap je boven de pet gaat. Dat je het wel kunt vergeten er een definitieve formule voor te ontwikkelen en dan klaar bent. Zelf zou ik zeggen dat het er ongeveer op neerkomt dat God de dragende macht van het bestaan zelf is. Hij overstijgt ons wel, maar staat niet los van ons. Hij leeft van binnenuit met ons mee en houdt hartstochtelijk van ons. Wij hebben de neiging door onszelf, door onze begeerten en angsten, gefascineerd te raken. Daardoor vervreemden wij ons van Hem. Wij zijn Hem alleen zo lief dat Hij dat niet wil laten gebeuren. Maar Hij wil ook onze vrijheid geen geweld aandoen. Het draait erop uit dat Hij zijn onaantastbaarheid achter zich laat. Zich waagt in het donkerste en wreedste en hatelijkste van ons mens-zijn. Om ons daaruit weg te smeken. Om door zich te offeren de dood te doden, de kou te verdrijven, de haat te blussen en ons ervan te doordringen dat Hij aan onze kant staat, dat we Hem veilig kunnen aanvaarden en vertrouwen. En dat we daar letterlijk zalig van worden. Maar ook dat is weer een hoogstpersoonlijke momentopname op een hoogstspecifiek moment in een hoogstspecifieke cultuur. En dat is zoals het hoort. Niet omdat heel de traditie voortdurend moet worden aangepast aan de tijdgeest. Sterker nog: ik denk dat het tastbare, materiële en rituele stuk ervan nauwelijks door ons actief kan worden veranderd zonder het te vernielen. Dat is ook wel bewezen, want dat is precies wat in de vorige eeuw na het concilie is geprobeerd en mislukt. We moeten dat zo langzamerhand maar eens erkennen. Wat niet is aangenomen kan per slot van rekening ook niet worden genezen. Alleen de trage evolutie die ontstaat uit het eindeloze beleven en doorgeven verandert het gezicht van de Kerk op een gezonde manier. De Maar de interpretatie en de beleving van dat alles: dat is een totaal ander verhaal. Dat moet in het moment. Dat is niet alleen veranderlijk, maar zelfs vluchtig, omdat wij vluchtig zijn. Daarin wordt van ons souplesse verlangd, kwikzilver, ritme. Het is als een geestelijk dansen met God zelf als partner. Als we Hem willen vertrouwen moeten we ook met Hem mee durven te bewegen. Want de kern van het geloof is de levende God zelf, die nooit kan worden aangepast aan de tijdsgeest. Simpelweg omdat Hij is wie Hij is. Zonder onderdelen en eigenschappen. Onveranderlijk, onvergankelijk, essentieel zichzelf en verder niks. Maar dat is wél maar één aspect van Hem. Tegelijk is Hij ook God met ons, God zoals wij Hem in ons specifieke leven in onze specifieke tijden en omstandigheden ontmoeten. God zoals Hij zich aan ons voordoet, zoals Hij voor ons beschikbaar is in ons bewustzijn, ons hier en nu. En daar zien

    Ben ik authentiek katholiek?
  6. 30 Jun

    Het ging nooit om de Latijnse Mis

    Bij uitzondering deze keer een aflevering die gaat over de donkere kant van een intens geleefd geloof. Mijn excuses hiervoor, maar vanwege de liturgische stijl in de kluis vond ik het noodzakelijk mijn standpunt hierover duidelijk te maken. Ook verwacht ik dat er erg ongenuanceerd over geschreven en gepodcast zal worden. Ik heb mijn best gedaan het onderwerp hier op een meer invoelende manier aan te vliegen. Een bijpassende meditatie is natuurlijk moeilijk te schrijven, dus komt er binnenkort een losse. Op 1 juli gaan de bisschoppen van de opstandige priesterbroederschap Pius X zichzelf een automatische excommunicatie op de hals halen. Ze gaan namelijk nieuwe bisschoppen wijden terwijl de paus dat niet goed vindt. Dat vinden ze weliswaar heel vervelend, zeggen ze, maar ze vinden dat ze geen andere uitweg hebben. “Hier staan wij, wij kunnen niet anders,” zeggen ze in feite. Het moet wel gezegd: voor een tragische maar onvermijdelijke verlegenheidsoplossing zijn die illegale bisschopswijdingen een beetje merkwaardig vormgegeven. Een tragisch maar onvermijdelijk meerdaags festival met de bijbehorende tragisch maar onvermijdelijke feestelijkheden. Je kunt er zelfs een tragisch-maar-onvermijdelijk wijnpakket bij bestellen. Wat is hier in godsnaam aan de hand? (Intro) ‘Als je niet gelooft in Jezus Christus en gedoopt bent en katholiek gaat je ziel verloren en word je eeuwig gemarteld in een poel van vuur en haat.’ Daar geloofde minstens tot aan de tweede wereldoorlog het grootste deel van de katholieken heilig in. Dat wil zeggen: ze geloofden zelf dat ze daar heilig in geloofden. Echt veel om het lijf kan dat geloof wel niet gehad hebben, want anders zouden ze zich wel met veel meer paniek en drift hebben uitgesloofd om iedereen tot Christus te bekeren. Tenzij ze egocentrische ijspegels zouden zijn geweest. Mensen die het wel prima vonden om in de hemel te zitten terwijl anderen eeuwig crepeerden in de hel. Maar zo was het natuurlijk niet, dat is onzin. De doorsnee katholiek geloofde alleen meer in zijn eigen geloof in de hel dan in de hel zelf. Ik kan me tenminste niet herinneren dat mijn protestantse ouders vroeger aan de lopende band katholieken aan de deur kregen om ze van de eeuwige straffen te redden. Natuurlijk waren er ook uitzonderingen op deze regel. Er was een kleine minderheid die juist heel erg geloofde in de hel voor alle niet-katholieken. Die vond je vooral in de delen van Europa waar katholiek zijn niet vanzelfsprekend was. Waar de Kerk door niet-katholieken was vervolgd en gemarginaliseerd, zoals in Nederland en Frankrijk. Waar mensen voor hun geloof moeten lijden wordt dat geloof nou eenmaal absoluter, harder en minder aanpassingsbereid. Niet voor niks kwamen uit dat soort landen ook de meeste missionarissen. Mensen die hun leven gaven om het Evangelie te verkondigen aan niet-katholieken. Precies zo iemand was een zekere Marcel Lefèbvre, uit het noord-Franse Tourcoing. Bij hem was het geloof in de hel helemaal écht en héél acuut. Hij geloofde bovendien ook héél erg dat je die hel alleen kon ontlopen als je gedoopt katholiek was of daar toch tenminste heel erg naar verlangde. Zo was hij van jongs af grootgebracht, en hij kon zich niks anders voorstellen. En hij was géén onverschillige ijspegel, dus sloofde hij zich heel zijn leven uit om zoveel mogelijk mensen voor Christus te winnen. Mensen willen redden was trouwens een familietrekje bij de Lefèbvres. Marcels vader, René, werd in 1944 in een concentratiekamp doodgeschoten omdat hij er alles aan had gedaan om Britse piloten te redden van de Duitsers. Net zo investeerde ook Marcel zijn leven in het heil van anderen. Door ziekenhuizen en scholen en kindertehuizen te stichten, maar vooral door mensen katholiek te maken en zo ook te laten ontsnappen. Niet aan de hel de nazi’s, maar aan de ééuwige hel. Hij kon de gedachte niet verdragen dat hij aan het einde van zijn leven niet álles zou hebben geprobeerd om zoveel mogelijk zielen te redden. Een heel onwerkelijk idee vinden we dat tegenwoordig, en we hebben zelfs de neiging om er onze neus voor op te halen. ‘Zieltjes winnen,’ noemen we het. Maar als je heel eerlijk bent was zijn offer onzelfzuchtig en ontroerend, gewoon omdat hij er zelf zo oprecht in geloofde. Met zijn karakter en achtergrond was het logisch dat hij missionaris werd, en ook gelijk een hele effectieve. Hij schopte het maar liefst tot aartsbisschop van Dakar en uiteindelijk praktisch tot leider van alle katholieken in Franstalig Afrika. Dat werk was voor hem klaar in 1962. Toen gaf hij het stokje over aan de eerste aartsbisschop die zelf ook echt uit Afrika kwam. Zelf werd hij toen gekozen tot algemeen overste van zijn missiecongregatie, de spiritijnen. Dus ook toen weer bestond zijn taak eruit zoveel mogelijk mensen katholiek te maken. Maar de tijden waren aan het veranderen en snel. Europa was getraumatiseerd door de gruwelen van de tweede wereldoorlog en in de war van alle technische ontwikkelingen. Mensen klonterden meer en meer samen in steden en verloren het directe contact met de natuur. In plaats van achter de ploeg werkten ze achter de typmachine. Ze kregen televisie en een eigen auto en hielden, vooral door de uitvinding van de antibiotica, op om overal maar de hele tijd dood aan te gaan. Ook kregen ze geen vijftien kinderen meer waarvan een kwart als baby of peuter stierf. Het was ook toen voor het eerst dat echt veel mensen ver konden reizen. Ze bereikten steeds verdere oorden en leerden vreemde culturen voor het eerst écht kennen. En die bleken meestal helemaal niet primitief en sinister te zijn - zoals ze hadden geleerd, maar vaak juist fascinerend, edel en bewonderenswaardig. Met andere woorden: de eerste helft van de twintigste eeuw was afschuwelijk geweest, maar er werd wel een hele nieuwe wereld uit geboren die in 1962 fris en fruitig en hoopvol en voorjaarsachtig uit de ogen keek. En de Kerk wilde in die lente mée. Paus Johannes XXIII riep daarom een grote vergadering van alle bisschoppen in Rome bij elkaar, een zogenaamd ‘concilie,’ om de Kerk bij de tijd te brengen. En, wat veel mensen niet weten: Marcel Lefèbvre heeft daar gewoon aan deelgenomen. Hij was zelf een concilievader. Maar hij kwam wél van een koude kermis thuis. Hij merkte tijdens de sessies van dat concilie al snel dat er een ordinaire touwtrekwedstrijd was ontstaan tussen bisschoppen die alles en bisschoppen die helemaal niets wilden veranderen. En tot zijn grote verdriet wonnen die eersten, en die pakten ook gelijk drastisch door. Zo kon het gebeuren dat nota bene het hoogste kerkelijke leergezag de zin van alles waarvoor Lefèbvre zich in zijn leven had opgeofferd in twijfel trok. Het moet voor hem gevoeld hebben alsof hij persoonlijk met al zij idealen en levenswerk in de vuilnisemmer werd geflikkerd. Het voornaamste probleem was voor hem dan ook niet, zoals veel mensen denken, de liturgie. Het voornaamste probleem was het document ‘Nostra Aetate,’ over de verhouding van de Kerk tot de niet-christelijke godsdiensten. Dat zette het exclusivisme van de Kerk - het idee dat er buiten de Rooms-Katholieke Kerk geen redding mogelijk is op losse schroeven. Het beschrijft alle concurrenten van de Kerk en prijst ze eigenlijk letterlijk de hemel in. Het begint met de godsdiensten van het verre oosten, en ziet daarin “een straal van de Waarheid die alle mensen verlicht.” Daarna gaat het verder over de islam, die toch ook één God aanbidt. Die met eerbied opkijkt naar Jezus als profeet. Die zelfs Maria in ere houdt. Dan volgt het jodendom, dat destijds - vlak na de holocaust - nog meer dan nu een gevoelig onderwerp was. Het document erkent dat de Kerk wortelt in Israël. Het verwerpt het idee dat het Joodse volk op de een of andere manier collectief schuldig zou zijn aan de dood van Christus. Nou was Lefèbvre geen typische antisemiet, en bovendien had hij ruimschoots bewezen dat hij zich inzette voor alle mensen, zonder onderscheid. Maar wel door ze katholiek te maken. Daarom was dit document hem zo’n doorn in het oog. Als zo ongeveer elke godsdienst volgens de Kerk leuk en aardig zou zijn, waar had hij dan in vredesnaam zijn hele leven voor opgeofferd? Persoonlijk vind ik het heel moeilijk te begrijpen dat iemand niet gewoon blij zou kunnen zijn met Nostra Aetate. Maar ik heb ook niet geleefd in een oudere, naïevere wereld. En mij in die wereld veertig jaar lang opgeofferd om mensen te behoeden voor een gevaar dat nu ineens helemaal niet blijkt te bestaan. Wat mij dan op pedante toon wordt verkondigd door dezelfde Kerk die vorige week nog het tegenovergestelde zei. En waarvoor ik juist aan het vechten was. Misschien had hij aan dit alles nog wel kunnen wennen als de Kerk waaruit hij met hart en ziel leefde verder vertrouwd was gebleven. Als men hem tenminste in Frankrijk een thuis had gelaten. Maar ook dat was hem niet gegund. Het concilie zelf eindigde nog wel in documenten die je gewoon als katholiek kon herkennen. Maar in de nasleep van dat concilie zou vrijwel niks overeind blijven van de vertrouwde Europese religie, ook niet in Europa zelf. Voor Marcel Lefèbvre moet dat hebben aangevoeld als het einde van de wereld. In ieder geval was het het einde van zíjn wereld. Je kan het hem moeilijk kwalijk nemen dat hij daarvan van streek raakte. En dat aspect van zijn levensdrama, het verdwijnen van zijn geestelijke thuis, uitte zich wél op het terrein van de liturgie: de vorm van de gebeden en rituelen. Van hoe het eraan toegaat in de Kerk. Dat lijkt een futiliteit. Waarom zou je zo moeten lijden onder het veranderen van kerkelijke tafelmanieren, om het aanpassen van etiquette? Maar als je even verder kijkt dan je neus lang is en even een antropologische in plaats van een theologische bril opzet zie je wel dat het zo onnozel niet is. Wie aan rituelen gaat prutsen verandert het hart van een religieuze belevingswereld. En geprutst werd er! Als er tijdmachines zouden bestaan en je zou achter elkaar een Mis in 1950

    Het ging nooit om de Latijnse Mis
  7. 6 Jun

    Griezelen van Gods nabijheid?

    Het tederste gebaar tussen mensen die van elkaar houden is misschien wel het elkaar voeren. De één houdt de ander iets voor de mond - een stukje fruit, een lepeltje ijs - en die ander opent zich. Dit is géén functionele transactie, maar een moment van uiterste kwetsbaarheid en overgave. Van volledig vertrouwen. Van helemaal opengaan voor elkaar. Je ziet dit dan ook - tenminste in een ideale, menselijke situatie - alleen gebeuren tussen mensen die werkelijk iets van elkaar zijn. Die van elkaar houden. Geen wonder dat dat ook meer dan duizend jaar lang de manier was waarop wij de Communie ontvingen. Wij knielden neer en staken onze handen onder een laken - wij maakten ons, met andere woorden, helemaal kwetsbaar, en openden onze mond. En God maakte zich nog kwetsbaarder dan wij al waren en legde zich - Brood geworden - daarin. Dat had Hij al honderden jaren voor Christus’ geboorte beloofd: ‘Doe je mond wijd open en Ik zal hem vullen,’ zingt Hij in de Psalm. Dat is logisch, want onze band met God is niet zakelijk, maar intiem, persoonlijk, vertrouwd en helemaal open. Hij is namelijk iets van ons, eigen. Hij is ons zelfs, zoals Augustinus het uitdrukte, ‘intiemer nabij dan wij onszelf nabij zijn.’ De Communie is geen afstandelijke liefdadigheid die God bewijst aan vreemden. Het is een hartstochtelijk liefhebben en bemind worden, wederzijds, met alle aspecten van beminnen die je tussen mensen ook ziet gebeuren. De Communie is dus ook gevaarlijk, zoals alle intieme relaties gevaarlijk zijn. Je geeft je in vertrouwen over op een manier die je strikt bewaart voor je familie en je geliefde. (Intro) Wie tegenwoordig in een katholieke kerk mensen de communie ziet ontvangen zou denken dat het ging om het uitdelen van medicijnen of zo, bij een uitbraak van iets. Men staat in de rij en steekt de handen uit. Een priester - of een willekeurige vrijwilliger die niet van de rest te onderscheiden is - reikt zakelijk de pilletjes uit en zegt erbij wat het precies is. Het is de kerk, maar het had ook de GGD kunnen zijn. Er is niks bijzonder kwetsbaars of persoonlijks aan, laat staan iets dat zou kunnen schokken. Het is ongevaarlijk en vooral ook onpersoonlijk. Toch gaat het hier om hetzelfde fenomeen dat door een van de grootste geleerden aller tijden als volgt beschreven wordt: Christus’ liefde is tegelijk hebberig en gul: Hij geeft ons alles wat hij heeft en alles wat hij is, maar hij neemt ook weer alles wat wij hebben en alles wat wij zijn. En hij eist meer van ons dan wij kunnen volbrengen. Zijn honger kent geen grenzen: hij verteert ons tot op onze bodem, want hij is een gulzige schrokker, echt zíek van de honger. Hij zuigt het merg uit onze beenderen... En wij: konden wij de begerige lust zien die Christus heeft om ons zalig te maken, dan zouden wij Hem uit onszelf in zijn mond willen springen. Ik weet best hoe bizar zulke liefdespraat klinkt, maar wie zelf bemint weet precies wat ik bedoel. De natuur van Jezus’ liefde is edel: waar zij verteert, daar wil zij voeden. Daar is helemaal niks ongevaarlijks of onpersoonlijks aan. Laten we even een stapje terugdoen om te kijken of we hier chocola van kunnen maken. Wanneer voeren mensen elkaar? Kleine kinderen worden gevoerd door hun ouders. Minnaars voeren elkaar. Hoogbejaarde ouders worden gevoerd door hun kinderen. In eerste en laatste instantie voer je elkaar als een van de twee nog niet, of niet meer zelfstandig kan eten. Degene die voert zegt daarmee: jij kan uit jezelf niet leven, daarom geef ik van mijn leven aan jou. Ik doe moeite en spaar mij eten uit de mond omdat ik wil dat je bestaat en leeft. Als je nog heel klein bent doe ik dat omdat ik wil dat je bestaat en blijft bestaan, omdat je uit mij geboren bent, omdat je het wonder van mijn leven bent. Elke dag dat je groeit, dat je meer jezelf wordt, dat je uit je knop komt bezorgt mij dat een diepe, innerlijke blijdschap. Door jou te voeren en de laten bloeien word ik zelf ook ten diepste wie ik ben: Vader of Moeder. Als je hoogbejaard bent voer ik je omdat ik je zo lang mogelijk bij me wil houden. Ik weet dat ik die strijd ga verliezen, maar ik doe het toch. Want ik ben dankbaar. Jij bent mijn vader of mijn moeder. Jij bent mijn oorsprong. Tussen die twee momenten in zit misschien wel het meest bizarre moment van voeren en je laten voeren. Want dan kan je heel goed zelf eten. Je bent volwassen, of ruimschoots volwassen zelfs, er mankeert je niks aan je armen of benen. En toch geef je je over en laat je je voeren. Door iemand op wie je verliefd bent. Zo verliefd dat je jezelf ervoor zou willen opgeven. Dat je je helemaal in die ander zou willen verbergen en investeren. Dat je uit die ander wilt leven. Al die manieren van liefhebben spelen zich ook af tussen jou en God, of je je daarvan nou bewust bent of niet. Ten eerste is iedere mens Kind, zijn hele leven lang. Je bent altijd in potentie iets nieuws, een vrucht die nog moet ontkiemen, zaad dat nog moet opschieten. Je hele leven ben je hoop, zoals een kind hoop is. Het maakt daarbij niet uit hoe oud of cynisch of wereldwijs of teleurgesteld je bent. Dat alles is uiteindelijk niet echt. God ziet in jou altijd - tot achter de laatste keer dat je ademhaalt - nieuw leven. Tegelijk ben je ook, tijdens je hele aardse bestaan, zo kwetsbaar als een kind: tegenover de krachten van het lot en de kosmos en de grillen van de wereld en de mensheid ben je zo hulpeloos als een baby in een bos. Maar achtergelaten ben je nooit. Wij leven, bewegen en zijn in God, en Zij leeft, beweegt en is in ons. En Zij voert ons omdat Zij onze Moeder is. In de Kerk zie je nog wel eens een pelikaan die zich in haar eigen borst pikt om met haar bloed haar jongen te voeren. Dat is weliswaar achterhaalde middeleeuwse biologie, maar wel een sprekend beeld voor wat het wil zeggen. De oude manier van Communie ontvangen laat dat ook zien: je maakt je klein, je buigt je hoofd omhoog en doet je snaveltje open als een klein vogeltje. En dan legt de goede God er gul een dikke, vette pierewurm - sorry, ik laat me wat meeslepen door het beeld. Hij legt er natuurlijk geen wurm in, maar zijn eigen Lichaam en Bloed, zijn Warmte en Leven. Omdat Hij van je houdt en jij zijn Kind bent. Dat is ook een van de betekenissen van dat witte laken, waar je je handen en armen onder stopt. Je bent er als het ware in genesteld als een vogeltje, maar het lijkt ook op de doeken waar zuigelingen vroeger in werden ingebakerd. Omwikkeld. Je was helemaal hulpeloos en kon alleen je mond nog opendoen. En dat gaf niks, want je was veilig bij je moeder. Dat is het soort vertrouwen dat God van ons vraagt. En verdient, trouwens, ook. Maar wij zijn niet alléén Kind van God die onze Vader en Moeder is. Want mensen voeren niet alleen hun kinderen, maar ook elkaar, als ze heel verliefd zijn, ik zei het al. En ook zó doet God met ons. Onze ziel is de Bruid van God de Zoon, onze Bruidegom, zeggen wij traditioneel. Hij bemint ons niet alleen als een Moeder, maar als een vurige Minnaar. Tegelijk is God, als vrouwe Wijsheid, ook de Bruid van de Zonen van Adam. Dat alles speelt zich wel af op een geestelijk niveau, boven letterlijke geslachtelijkheid en seks. Zodoende worden de goddelijke Personen ook zowel mannelijk als vrouwelijk opgevoerd in teksten die hierover gaan, ook in de Bijbel. Maar het zou onzin zijn te doen alsof het vurige verlangen tussen Hem en ons onschadelijk zou zijn gemaakt omdat het geestelijk is. Het is niet identiek, maar wel analoog aan de liefde tussen man en vrouw. Die dus ook, met andere woorden, heilig is. Precies dat is juist de wortel van het taboe dat erop rust. Zodoende zucht onze ziel naar God: ‘Als een appelboom onder de bomen van het woud, zo is mijn geliefde onder de jongemannen, zegt ze.’ In zijn schaduw verlang ik te zitten, zijn vrucht is zoet voor mijn gehemelte. Hij bracht mij naar het wijnhuis, zijn banier over mij is liefde. Versterk mij met rozijnenkoeken, verkwik mij met appelen, want ik ben ziek van liefde. Zijn linkerhand is onder mijn hoofd, zijn rechter omhelst mij.’ Hadewijch, die heilige vrouw, beschreef de Communie als volgt: “Hij kwam zelf tot mij, en nam mij geheel in zijn armen en drukte mij tegen zich aan. Al mijn ledematen voelden de zijne in heel hun genoegen, naar het verlangen van mijn hart, naar mijn mensheid.” God de Zoon is het Woord, dat de wereld bevrucht met vorm en betekenis. ‘Met toewijding en diepgevoelde liefde eten en verteren wij de mensheid van onze Heer in onze natuur,’ schrijft Ruusbroec, ‘want liefde trekt in zich alles wat zij liefheeft. En met diezelfde liefde verteert en trekt onze Heer onze natuur in zich, en vervult ons met zijn genade... Zie, zo zullen wij voortdurend eten en gegeten worden, en met minne op en neer gaan. En dit is ons leven in de eeuwigheid.’ Maar God het Woord is ook Sofia, de Wijsheid Gods, die bij het scheppen van de werkelijkheid alle geuren en kleuren van alles wat ooit zou bestaan al in zich bevatte en gul en vrijgevig over de aarde uitstrooide. “De Heer schiep mij als het begin van zijn weg,” zegt zij in het boek Spreuken, “als het eerste van zijn werken van oudsher. Van eeuwigheid af ben ik gevormd, van het begin, voor de aarde bestond. Toen Hij de hemel grondvestte was ik erbij. Ik was zijn lieveling dag aan dag, spelend voor zijn aangezicht te allen tijde, spelend op de aardbodem, mijn vreugde was bij de zonen van Adam.” In de werkelijkheid waar we nu zijn binnengegaan is de Communiebank in plaats van een wiegje de tafel van het bruidsbanket geworden. De dwaal, de witte doek waar wij ons hulpeloos onder maken is ineens geen vogelnestje meer, maar een liefdesnestje, de ‘kamer van mijn moeder,’ zoals het in het Hooglied heet, waarin de Bruid haar Minnaar binnenleidt. Enfin, dit aspect van het verhaal laat ik nu verder rusten, voor er straks niemand meer ter Communie dúrft. Hoewel, het volgende aspect is zo mogelijk nog gevaarlijker. Want er was nog een derde stadium waarin mensen elkaar voeren

    Griezelen van Gods nabijheid?

About

Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie). www.paterhugo.nl