Die God van jou, waar je zoveel houvast aan hebt, en die er altijd is als je aan Hem denkt? Zit die niet gewoon tussen je oren? Is elk gebed, elk gesprek met Hem niet gewoon een gesprek met jezelf? Want je loopt Hem niet tegen het lijf als je boodschappen gaat doen, of in het bos als je de hond gaat uitlaten. Je ervaart Hem alleen als je je terugtrekt in jezelf. “God zit dieper in mij dan mijn diepste innerlijk, en hoger dan mijn hoogste topje.” Dat is een wereldberoemde uitspraak van de heilige Augustinus. Het klinkt diep ontroerend en veel mensen moeten er een beetje van snotteren. Maar als je er even goed naar kijkt is het ook best verontrustend. Want als God dieper in je zit dan zelfs je onderbewuste, en meer jou is dan jij jezelf bent - want dat is wat er staat - wat blijft er dan van Hem over, apart van jou? Als de enige weg naar God naar binnen loopt, zit je dan niet gewoon tegen je eigen innerlijke spiegelbeeld te kletsen als je aan het bidden bent? De negentiende-eeuwse filosoof Feuerbach beweerde dat in ieder geval wel. Volgens hem is God niks anders dan de geprojecteerde, uitvergrote essentie van de mens zelf. Wat de mens in God meent te zien - liefde, almacht en goedheid - is volgens hem een spiegel van wat de mens zich wenst, maar naar buiten en omhoog geprojecteerd. En zo denken ook de meeste moderne psychologen erover. Er zijn tegenwoordig zelfs hersendeskundigen - dus geen psychologen maar serieuze wetenschappers - die roepen dat ze het gebed zelf zien oplichten op hun scans en dat dat het mysterie van God wel zo’n beetje heeft opgehelderd. Ik vind dat persoonlijk nog wat aan de haastige kant, maar enfin. Nou gaat het niet aan om voor dit soort vragen weg te lopen. Als je je geloof serieus neemt kan je God niet gaan lopen beschermen tegen de realiteit. God moet jou in standhouden, niet jij God. Vrijwel alle grote mystici hebben met dit probleem geworsteld, dus juist de mensen die zich het diepst hebben gewaagd in de jungle van het gebed en de ingewanden van God. Ook zij hebben het nogal eens over een spiegel, maar ze komen tot een andere conclusie dan de sceptische psychologen. Voor hen is de méns de spiegel, en God degene die in die spiegel kijkt. Zo wordt de mens wel heel letterlijk beeld en gelijkenis van God. De dertiende-eeuwse mysticus Rumi vertelde graag het volgende verhaal, dat in dichtvorm is overgeleverd. Het is wat aan de lange en breedsprakige kant voor de gefrituurde tiktokbreinen van tegenwoordig. Daarom geef ik hier maar even een vrije vertaling ervan. Het gaat over Mozes. Die trok eens door de velden toen hij een zacht gemompel hoorde vanaf een heuveltje even verderop. Op een dag hoorde Mozes hoe een herder tot God bad, O, God, o God, mijn Heer en nog wat verder dan dat, “Waar woont U toch, ik wil U dienen als uw trouwe knecht, Ik lap uw ouwe schoenen en ik kam uw kapsel recht. Ik was uw kleren en verjaag de schurft en de vlooien en ik breng U zoete melk van de beste van mijn ooien. Ik masseer uw zere voeten en kus uw zachte handen, ik stop U lekker in en poets U ook de tanden. Ik doe uw sokken en uw pyjama’s in de was, en ik stop ook nog de gaten in uw zondagse jas. Zo bazelde hij verder in kinderlijke waan, En maakte zo Mozes de kachel aan. Die vroeg hem: zeg, wat is dat hier voor dom geleuter? Tegen wie ben jij daar aan het kletsen als een domme kleuter? De Herder, in de war, verbaasd en ook nog ontzet, keek op en zag wie hem daar had gestoord in zijn gebed. Hij zei: “Ik bid tot God die heel de wereld heeft geschapen, mijzelf en ook de hemel en de aarde en mijn schapen.” Maar Mozes brulde: “Hou je bek, zo praat je niet met God, Straks is Hij nog beledigd en dan slaat Hij je kapot.” Je klinkt oneerbiedig, veel te familiair, je bedoelt het wel goed, maar je bent ordinair. Bewaar je goeie zorgen voor je makkers en je maten, God heeft geen lichaam, heeft geen slaap en ook geen jas met gaten.” De arme herder kromp ineen en zei het spijt me zeer, Sorry, sorry sorry en nog extra sorry meer. Hij zuchtte diep en scheurde ook zijn mantel nog kapot, en verdween in de heuvels, met zijn schapen en zijn God. Tevreden over zijn strenge doch rechtvaardige optreden wandelde Mozes verder door de velden. Hoe konden mensen toch zo dom zijn om te denken dat ze met God konden omgaan als met hun lijpe neefje? Zich voorstellen dat Hij zich ooit zou bezighouden met dezelfde onnozele obsessietjes als zij? Kapotte schoenen? Vlooien? Lieve Hemel! Maar toen donderde een openbaring uit de lucht, En het scheelde niks of Mozes sloeg ervan op de vlucht. En de stem van God zei, woedend als een ouwe buschauffeur; “Jouw verwaten kolder brengt mij smerig uit mijn humeur. Waarom jaag jij van mij mijn trouwe vrienden weg? Als je denkt dat Ik dat leuk vind, ja, dan heb je gloeiend pech. Heb ik je niet gestuurd om mensen éénheid te leren, Waarom loop je hier dan armelui te terroriseren. Was Ik het niet die jou en hem geschapen heeft, en jullie elk voor zich zijn eigen vorm van bidden geeft. Waar hij van droomt brengt in jouw strot de gal omhoog en jouw mooiste woorden klinken in zijn oren veel te droog. Ondertussen ben Ik boven die verschillen verheven, Ik ben, Ik leef, en sterker nog: ik bén het leven. Voor lui uit India klinkt alles beter in Sanskriet, En als Ik geen zes armen heb, herkennen ze mij niet. Voor jullie Perzen zijn alleen de woorden mij waardig, Die ik zelf gezegd zou hebben, en vooruit: die zijn best aardig, Maar hoe dan ook let ik niet op je woorden, op je taal, maar alleen op de bedoeling van je levensverhaal. Door jouw gebed word ik niet zuiverder dan Ik al ben, Maar weet dat ik van elk idee de wortel ken. Dansen en zingen, springen en gillen: Ik weet wat aan de oorsprong ligt van al die grillen. Wat moet ik met gebeden in gebeeldhouwde kwatrijnen, als diep in jou de monsters copuleren als konijnen. Ik heb niks aan metaforen en geciseleerde verzen, Uit de mond van iemand die maar steeds demonen uit blijft persen.” - Toen greep hij Mozes’ hart en legde er geheimen in, Van die hele tere, met een onbegrijpelijk zin. Die Mozes toch verstond, hij werd vervuld van klare taal, Zijn eigendunk smolt weg, het werd een heel ander verhaal. Hij raakte van zijn à propos en toen weer erop, Zijn onder zat nu boven en hij stond op de kop. Hij rende de woestijn in om het herdertje te zoeken, hij kon hem eerst niet vinden en liep als een gek te vloeken. Gelukkig duurde het niet lang voordat hij hem vond, toen stroomden er als water goede woorden uit zijn mond. Bescheiden en beschaamd zei hij: “het spijt me zeer, Sorry, sorry, sorry, sorry, en nog extra sorry meer. Flikker alles wat ik heb gezegd maar over de heg, Ik zat ernaast, ik was verblind en mijn verstand was weg. Stoor je maar niet meer - bij je gebeden - aan de vorm, Voor God zijn je bedoelingen de enige norm. Jouw onverstand is geloof, en jouw geloof Gods eigen Licht, waardoor de wereld wordt gered, waarvoor het duister zwicht. Het beeld dat jij aanschouwt, als je in de spiegel tuurt, Is van jou, niet van de spiegel die het naar je ogen stuurt. De adem ín de fluit is niet de adem ván de fluit, zonder een fluitist komt daar echt geen liedje uit. De radio houdt in zich echt geen diva’s gevangen, Hij krijgt ze uit de ether, al die operagezangen. Zo ook bij jou: wie jouw oprecht gebed bespot, die spot niet met jou, maar met de adem van God. Want die boeit het niet hoe hooggeleerd het bidden klinkt, maar alleen hoe eerlijk in die taal de liefde blinkt.” Dus, lieve kijkbuiskindertjes, als je iemand bidden hoort, bedenk je dan wel drie keer voordat je je eraan stoort. Rumi geloofde duidelijk dat het gebed van God zelf komt. Dat het bij iedereen weer anders klinkt, maar in essentie toch steeds hetzelfde gebed is. Zoals lucht die door een fluit wordt geblazen of licht dat op een spiegel valt. De fluit en de spiegel kleuren wel de klanken en beelden die je hoort en ziet, maar uiteindelijk is er stiekem alleen maar adem, alleen maar licht. En die adem en dat licht zijn niet van die fluit en die spiegel. Ze zijn afhankelijk van de fluitist, van de zon, van degene die in de spiegel kijkt. Van God, want daar is deze metafoor om te doen. Het gebed is niet van de bidder, maar van God. En dat geldt niet alleen voor je gebed, maar voor heel je bewustzijn. Je hier en nu. De zalige Jan van Ruusbroec maakt ergens de volgende opmerking: “God schept de mens uit het niets, dat Hij gaat halen uit het nergens. Daarom neigt die mens naar dat niets in dat nergens. Dan stroomt hij uit zichzelf weg in verlorenheid, Hij zinkt weg in het simpele Wezen van God als in zijn eigen Grond en hij sterft in God. En sterven in God: dat is zalig zijn, volgens Ruusbroec. Onze diepste grond is niet van onszelf, zegt hij, we krijgen die maar geleend van God. En als we ons dus inkeren in onszelf kan het niet anders of we komen Hem daar tegen. En net als dat herdertje van Rumi kleden we Hem dan aan en poetsen zijn schoenen en kammen zijn haar. Wij missen zijn essentie omdat we niet anders naar Hem kunnen kijken dan door ons eigen glas. En dat glas is gebobbeld en gekleurd en ook niet schoon. En hoe meer je je best doet om er iets door te zien, hoe troebeler het vaak lijkt. Want niet je moeite brengt je uiteindelijk bij God, maar je overgave. Je loslaten. Hoe harder je je inspant om er iets van te begrijpen, hoe stijver je je billen bij elkaar knijpt, hoe minder je van Gods waarheid te zien krijgt, en hoe meer van je eigen voorstellingsvermogen. Goed: de mystici zeggen dus dat het zelf van de mens het gevolg is van Gods aanwezigheid. De verlichtingsfilosofen en de hogepriesters van de moderne psychologie zeggen dat de ervaring van Gods aanwezigheid een gevolg is van het zelf van de mens. Precies het omgekeerde. Nou ben ik geen Amerikaanse apologeet, dus ik ga hier niet kinderachtig liggen te hakketakken. Je gelooft waar je zin in hebt, mij zal het worst wezen. Uiteindelijk is het toch wat het is, wat jij en ik er ook van vinden. Voor de volledigheid van het p