Boodschappers ‘Dat is een dag geweest. Job was 's morgens vroeg opgestaan; zijn zonen en dochters vierden feest in het huis van hun oudste broer en der gewoontegetrouw brengt Job brandoffers voor ieder van hen, als een priester in zijn gezin. Daar komt een bode aan, en nog een en nog een... Ze lopen zo hard, dat ze naar adem moeten happen, eer ze hun boodschap kunnen uitbrengen. Een boodschap van ramp op ramp. Vee werd weggevoerd, slaven werden gedood. Noodweer, moord en brand! Een wervelwind, het huis werd neergesmeten, en onder de puinhopen liggen uw kinderen begraven. Telkens blijkt er één ontkomen te zijn, om het te melden. Houdt hij dan niets over? En z'n gezin, de kinderen, voor wie hij bad? Het is alsof Job zelf bedolven wordt onder het neervallend puin en gruis. Hij is volslagen geruïneerd. Ik kan het u niet beschrijven; het is met geen pen te beschrijven. En wat zal welsprekendheid? Er zijn geen woorden voor! Op één en dezelfde dag. Verpletterend. Job grijpt naar zijn hoofd, hij grijpt naar zijn hart. Want verstand en hart kunnen het niet verwerken; Job is ook maar een mens. Buigen Wanneer het tot hem doordringt, scheurt hij zijn mantel en scheert haar en baard af. Sieraad van de man, maar het past niet bij zijn diepe rouw. Dan werpt hij zich ter aarde, een gebroken man, gebroken onder de slagen die hem troffen. Bonst hij met het hoofd tegen de grond, in doffe wanhoop? Nee, dat niet. Hij buigt zich neder en dat wil eigenlijk zeggen: hij aanbidt. Hij valt voor God in het stof, en hij ziet vanuit zijn ellende tot God op! Wij vergelijken het leven wel eens met varen; tenslotte zijn we een volk van schippers en vissers, en de herinnering daaraan wordt in menige uitdrukking bewaard: vaarwel en welvaart bij voorbeeld. Om even bij dat beeld te blijven: soms is het spelevaren aan de oppervlakte, bij heel kalm weer. Soms moet het schip, zwaar geladen, de golven doorklieven, het water is donker, en de wind neemt toe. En soms schuurt de kiel van het schip langs het zand en het grint, op de bodem van de rivier. Dan dreigt het in tweeën te breken. Dat is, dunkt mij, hier het geval. Job houdt niets over dan het naakte bestaan. Hij is het zich bewust: Naakt kwam hij uit de moederschoot, naakt zal hij aan de schoot der aarde worden toevertrouwd. Wat daartussen ligt mag ons niet misleiden. Het schijnt zo veel en het blijkt zo weinig. Het heeft niet veel om het lijf, al kleden wij het nog zo fraai aan. Rijkdom, geluk, bezit, gezin. Onverhoeds ontvalt het ons. U moet Job niet verkeerd verstaan. Hier is geen nihilist aan het Woord, die meent: het is toch allemaal niets. Hier is geen fatalist aan het woord, die de overmacht van het lot aanvaardt. Hier is een man aan het woord, die het vege lijf heeft gered uit een springvloed van rampen en die daaraan ontdekt wat een mens eigenlijk is. Hoe komen we in de wereld, en hoe gaan we eruit? Als we dat eens meer bedachten, zouden we niet zo aan geld en goed hechten, zou de eenvoud ons kenmerken, ook in deze tijd van overdaad.’