Koinonia Bijbelstudie Live

Robbert Veen

Onder naam KOINONIA BIJBELSTUDIE verzorg ik regelmatig bijbelstudies en beschouwingen over het kerkelijke leven. Soli Deo Gloria! Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

  1. 1D AGO

    Lo tachmod en lo tit’aveh — De halachische psychologie van verlangen en de klassieke commentaren

    Het onderscheid tussen lo tit’aveh en lo tachmod vormt een van de meest subtiele morele structuren in de Thora. De rabbijnse traditie leest deze twee termen niet als synoniemen, maar als twee stadia in een psychologische keten: het innerlijke verlangen en het daaropvolgende plan om het object van dat verlangen te verwerven. De Sefer HaChinuch maakt dit onderscheid scherp: lo tit’aveh (Deut. 5:18) verbiedt het koesteren van verlangen in het hart, terwijl lo tachmod (Ex. 20:14) het uitvoeren van een plan verbiedt om het begeerde object te verkrijgen, zelfs wanneer dat via ogenschijnlijk legitieme middelen gebeurt. Het laatste gebod van de Decaloog vormt een opmerkelijke verschuiving van het uiterlijke naar het innerlijke. Waar de voorafgaande geboden handelen over daden die zichtbaar zijn voor de wereld, richt het verbod op begeren zich op een beweging van het hart. De Sefer HaChinuch maakt van deze verschuiving een verfijnde juridische en morele architectuur door lo tachmod en lo tit’aveh niet als één, maar als twee afzonderlijke verboden te tellen. Daarmee wordt het innerlijke leven van de mens niet slechts moreel beoordeeld, maar halachisch gearticuleerd. Exodus spreekt over lo tachmod, het begeren van het huis, de vrouw, de dienaren en de dieren van de naaste. Deuteronomium herhaalt het gebod, maar met een andere term: lo tit’aveh, het verlangen. De rabbijnse traditie heeft deze dubbele formulering nooit als stilistische variatie gelezen, maar als een intentionele differentiatie. De Sefer HaChinuch volgt deze lijn en stelt dat lo tit’aveh het koesteren van verlangen in het hart verbiedt, terwijl lo tachmod het uitvoeren van een plan verbiedt om het object van dat verlangen te verwerven. Het innerlijke verlangen en de uiterlijke daad zijn dus niet twee graden van hetzelfde kwaad, maar twee afzonderlijke overtredingen die elk op zichzelf staan. Het verlangen leidt tot het begeren, maar de Thora verbiedt beide stadia onafhankelijk van elkaar. De klassieke commentaren ondersteunen deze tweedeling, maar elk vanuit een eigen hermeneutische gevoeligheid. Rashi leest lo tachmod als een verbod dat pas wordt overtreden wanneer men daadwerkelijk handelt om het begeerde object te verkrijgen. Voor hem is het niet de gedachte die verboden is, maar de poging om het object te verwerven, zelfs wanneer men daarvoor betaalt, zolang de eigenaar onder druk werd gezet. Rashi’s lezing sluit nauw aan bij de halachische traditie die Deuteronomium 7:25 als bewijs gebruikt: begeren wordt pas overtreden wanneer men het object “neemt”, zelfs wanneer men het via een schijnbaar legitieme transactie verkrijgt. Sforno legt de nadruk op de innerlijke gerichtheid van het verlangen. Voor hem is lo tit’aveh geen verbod op spontane impulsen, maar op het cultiveren van een verlangen dat zich richt op wat niet toebehoort. Verlangen is voor Sforno geen reflex, maar een keuze: een mens kan zijn hart richten op wat hem toekomt, of op wat hem niet toebehoort. Lo tit’aveh is in zijn lezing een oproep tot innerlijke vrijheid, een discipline van het hart die voorkomt dat de mens zich laat meeslepen door de aantrekkingskracht van het bezit van de ander. Ramban biedt een synthese die zowel psychologisch als theologisch is. Hij stelt dat lo tachmod niet slechts een verbod is op het nemen van bezit, maar op het ontwikkelen van een verlangen dat zo sterk is dat het tot actie leidt. Voor Ramban is het verboden verlangen niet de vluchtige gedachte, maar het verlangen dat men vasthoudt, cultiveert en omzet in een plan. Zijn lezing maakt duidelijk waarom de Thora beide stadia afzonderlijk verbiedt: het verlangen is de wortel, de daad de vrucht. Door beide te verbieden, snijdt de Thora het kwaad af bij de bron én bij de uitwerking. Ibn Ezra gaat nog verder en stelt de vraag die elke moderne lezer stelt: hoe kan de Thora verlangen verbieden? Verlangen lijkt immers een spontane beweging van de menselijke psyche. Zijn antwoord is even eenvoudig als diepzinnig: een mens begeert slechts wat hij als bereikbaar beschouwt. Een boer kan de vrouw van zijn buurman begeren, maar nooit de prinses van het koninkrijk. De Thora gebiedt daarom niet het onmogelijk maken van verlangen, maar het herstructureren van de perceptie van wat “bereikbaar” is. Wanneer men werkelijk gelooft dat God de bezittingen van ieder mens heeft toegewezen, wordt het bezit van de ander even ver verwijderd als de prinses van de boer. Het verbod is dus niet een onderdrukking van verlangen, maar een heroriëntatie van het bewustzijn. Wanneer men deze rabbijnse inzichten toepast op Jezus’ uitspraak in Mattheüs 5:28 — “Wie een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd” — wordt duidelijk dat hij niet spreekt over een vluchtige gedachte, maar over een intentionele blik. De structuur van zijn uitspraak is identiek aan de structuur van lo tit’aveh: het gaat om het richten van het verlangen op een object dat jou niet toebehoort. Jezus radicaliseert de Thora niet; hij internaliseert haar op precies dezelfde manier als de rabbijnen, vooral Ramban, dat doen. Hij spreekt niet over de spontane impuls, maar over de intentionele blik die het verlangen activeert. De mens die een vrouw ziet en een gedachte voelt opkomen, overtreedt niets; de mens die haar “aanziet om haar te begeren” — die zijn blik richt, zijn verlangen vormt en zijn hart op een ander richt — overschrijdt de grens die de Thora stelt. De Sefer HaChinuch verbindt beide verboden aan het bredere verbod op diefstal in Leviticus 19:13. Niet omdat verlangen of begeren zelf diefstal zijn, maar omdat zij de psychologische wortel vormen van diefstal. De Thora kiest er daarom voor om niet het verbod op eigendomsdiefstal in de Tien Geboden op te nemen — dat gebod verwijst immers naar ontvoering — maar het verbod op begeren. Daarmee wordt de morele afstand die men moet bewaren tot het bezit van een ander radicaal vergroot: niet alleen de daad is verboden, maar zelfs de gedachte die tot de daad kan leiden. De discussie tussen Rambam en Ra’avad over de reikwijdte van lo tachmod illustreert deze spanning tussen innerlijk en uiterlijk. Rambam stelt dat zelfs wanneer de eigenaar uiteindelijk instemt met de verkoop, de koper het verbod overtreedt als hij hem onder druk heeft gezet. Ra’avad daarentegen beperkt het verbod tot gevallen waarin de eigenaar niet instemt en het object wordt genomen alsof het diefstal betreft. Rambam legt de nadruk op de intentie en de psychologische dynamiek van dwang; Ra’avad op de juridische status van de handeling. Beide posities tonen dat lo tachmod zich op het grensvlak bevindt van ethiek en recht, van innerlijk en uiterlijk, van verlangen en daad. Het verbod op verlangen en begeren is daarmee geen ascetische oproep tot emotionele onderdrukking, maar een verfijnde morele pedagogie. De Thora erkent dat verlangen de motor is van menselijke actie, maar zij eist dat deze motor niet gericht wordt op het bezit van de ander. De mens wordt opgeroepen om zijn verlangens te richten op wat hem toekomt, niet op wat hem niet toebehoort. In deze zin is lo tit’aveh de innerlijke discipline die lo tachmod mogelijk maakt, en lo tachmod de uiterlijke grens die lo tit’aveh beschermt. Het laatste gebod van de Decaloog is dus geen randverschijnsel, maar de voltooiing van de morele orde. Het verbiedt niet slechts de overtreding van de grens van de ander, maar zelfs de eerste beweging van het hart die die grens zou kunnen overschrijden. Het is een gebod dat de mens niet klein maakt, maar groot: het veronderstelt dat hij in staat is zijn verlangens te richten, zijn gedachten te ordenen en zijn hart te vormen naar een hogere maatstaf. In die zin is lo tachmod niet het einde van de Tien Geboden, maar hun kroon. Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

    10 min
  2. FEB 8

    Psalm 90 en Bertus Aafjes over onze sterfelijkheid

    De preek opent met het gedicht De laatste dingen van Bertus Aafjes, waarin de dichter de menselijke sterfelijkheid beschrijft als een eenzame, verwarrende weg vol verlies van herinnering, richting en orde. De predikant herkent de eerlijkheid van dit gedicht, maar benadrukt dat het, zonder meer, een somber en verlammend mensbeeld geeft: de mens als blinde vink, zingend in het donker, zonder hoop of houvast. Daartegenover plaatst hij Psalm 90, die dezelfde menselijke kwetsbaarheid onder ogen ziet, maar haar in een heel ander licht zet. De psalm begint met het woord ma’on — “woning” of “schuilplaats” — en volgens rabbijn Hirsch is dit het sleutelwoord van de hele psalm. God is niet alleen een toevlucht in nood, maar een blijvende woonplaats: de plek waar we vandaan komen, waar we gedragen worden en waar we uiteindelijk naar terugkeren. In plaats van vergetelheid biedt Psalm 90 geborgenheid. Het tweede Hebreeuwse woord is enosj, “sterfelijk mens”. De psalm erkent onze broosheid, maar zegt tegelijk dat het God is die ons tot stof doet terugkeren. Dat betekent: ons leven is niet zinloos of stuurloos, maar staat in Gods hand. Waar Aafjes alleen de leegte ziet, wijst de psalm op Degene die achter onze sterfelijkheid staat. Het derde woord is chesed, Gods trouwe liefde. Elke nieuwe ochtend is een teken van die liefde. Waar Aafjes zegt dat wij vergeten worden, zegt Psalm 90 dat God niet vergeet. Zijn liefde blijft, draagt en vernieuwt. Daardoor wordt bidden mogelijk: de mens mag zijn kwetsbaarheid tot God brengen. Het vierde woord is limnot, “tellen”. Psalm 90 roept ons op onze dagen te tellen, niet om somber te worden, maar om wijs te leven. Tellen betekent: beseffen dat elke dag een geschenk is en vragen wat we ermee kunnen doen. Niet verlamd raken door sterfelijkheid, maar juist in actie komen, omdat onze tijd kostbaar is. De predikant laat zien dat Aafjes en Psalm 90 het eens zijn over de realiteit van sterfelijkheid, maar dat de psalm een weg wijst die Aafjes niet ziet: de weg van gebed, vertrouwen en verantwoordelijkheid. Ons leven is kort, maar niet zinloos. God is onze woning, zijn liefde draagt ons, en Hij roept ons om onze dagen te vullen met liefde, trouw en wijsheid. De preek eindigt met het gebed van Psalm 90: “Bevestig het werk van onze handen.” Dat is de hoopvolle tegenstem tegenover Aafjes: dat wat wij doen niet vergeefs hoeft te zijn, omdat God het draagt en betekenis geeft. Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

    23 min
  3. JAN 20

    Naar een kerk zonder Israël?

    Wanneer ik terugkijk op mijn eigen weg door de christelijke tradities, zie ik hoe verschillend de visies op Israël altijd zijn geweest. In de Vergadering van Gelovigen, waar ik zelf een tijdlang verkeerde, bood de bedelingenleer nog een zekere garantie dat Israël in Gods toekomst een plaats zou houden. Men sprak over de opname van de gemeente, en daarna zou God Zijn beloften aan het aardse volk Israël gaan vervullen. Zelfs de Torah, zo zei men, zou dan weer in ere worden hersteld. Het was een toekomstbeeld, een eschatologische verwachting, maar het had tenminste nog een vorm van trouw in zich. Daartegenover stond de gereformeerde theologie, die Israël vooral waardeerde als volk van het verleden. Het verbond, zo leerde men, was al vanaf Adam aanwezig en werd in Christus vernieuwd, maar bleef wezenlijk hetzelfde. De besnijdenis werd vervangen door de doop, de wetgeving kreeg een andere gestalte, maar de lijn bleef doorlopen. Israël had een fundament gelegd, maar de kerk had het huis gebouwd. En dan de evangelische beweging, inclusief de Vergadering: daar zag men voor Israël alleen nog een rol in de toekomst, ná de tenhemelopneming van de christenen. Het heden van Israël, het concrete volk, de levende traditie — die bleven buiten beeld. Niemand, werkelijk niemand, zag de betekenis van het huidige Israël. Zelfs onder Joodse christenen heerste verdeeldheid. Sommigen schaarden zich achter de evangelische visie, anderen achter de gereformeerde. Sommigen bevestigden hun verbondenheid met Israël vooral omdat zij meenden dat er een opdracht lag om het evangelie aan Israël te brengen. Anderen probeerden evangelische gemeenten te vormen die rabbijns‑joodse elementen in de liturgie opnamen, maar dan vooral met missionaire bedoelingen. En ja, er was dialoog met de rabbijnse traditie — maar mondjesmaat, en meestal vanuit de vanzelfsprekende overtuiging dat het Nieuwe Testament superieur was. Voor mij persoonlijk werd het anders toen ik werkelijk in aanraking kwam met de rabbijnse traditie. Toen ik Hebreeuws leerde. Toen ik de commentaren las, de Talmoed, en vooral toen ik in gesprek kwam met orthodox‑joodse leraren en vrienden. Dat heeft mijn theologische horizon blijvend veranderd. En nu sta ik op een kruispunt. Aan de ene kant zie ik de mogelijkheid om de christelijke theologie te hervormen, te zuiveren van de Griekse filosofische lagen die haar hebben vervormd, en haar opnieuw te wortelen in de Joodse denkwijze die al in het Nieuwe Testament aanwezig is. Maar tegelijk zie ik dat de kerk van vandaag — verzwakt, uitgehold, versnipperd — zo’n reformatie niet meer kan dragen. De generatie die nog over is, is moe. De structuren zijn fragiel. De geestelijke weerstand is laag. Aan de andere kant zie ik een weg die misschien bescheidener is, maar wel haalbaar: binnen de christelijke theologie twee dingen versterken. Ten eerste: de steun en solidariteit met Israël, niet als politiek programma, maar als theologische trouw. En ten tweede: de verrijking van de christelijke ethiek door de halachische manier van denken vruchtbaar te maken — Maimonides in plaats van Aristoteles, om het kort te zeggen. Een ethiek die niet begint bij abstracties, maar bij concrete daden, bij verantwoordelijkheid, bij het leven zelf. Maar dan lees ik bijdragen zoals die van Steven Paas. Teksten die de breuk met het jodendom niet alleen bevestigen, maar zelfs verdiepen. Teksten die steeds polemischer worden, steeds stelliger, steeds verder verwijderd van de Joodse wortels van het evangelie. En dan zinkt mij soms de moed in de schoenen. Dan vraag ik mij af of deze christelijke boedel nog wel te redden is. Of het niet beter is om haar aan haar lot over te laten. Want het voelt soms alsof de stemmen van Miskotte, van Zuidema, van al diegenen die de Joodse wortels van het christendom wilden eren, nooit echt gehoord zijn. Alsof de herlezing van het Nieuwe Testament door Sanders, Dunn en Nanos — die ons wilde bevrijden van eeuwen misverstaan — eenvoudigweg is weggewuifd. Alsof de theologie zich laat meeslepen door de propaganda van de dag, in plaats van door de Schrift en de traditie. En soms lijkt het alsof sommigen vooral willen dat de kerk zich naast de islam opstelt, en zich daarom des te sterker distantieert van Israël. Alsof de oude reflexen weer opstaan. Alsof de kerk opnieuw flirt met een vorm van Marcionisme, opnieuw de Joodse wortel wil afsnijden, opnieuw de Messias losmaakt van zijn volk. En dan denk ik aan de jaren dertig. Aan de Germaans‑christelijke beweging. Aan Arius. Aan Marcion. Aan al die momenten waarop de kerk haar eigen antisemitische kern niet onder ogen wilde zien — en daardoor bijna ten onder ging. Ik zeg dit niet lichtvaardig: de kerk staat opnieuw op zo’n moment. Voor de derde keer in haar geschiedenis wordt zij geconfronteerd met haar eigen neiging om Israël te marginaliseren, te vergeten, te vervangen. En dit keer is de situatie ernstiger dan ooit, omdat de kerk zelf zo zwak is geworden. Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

    7 min
  4. JAN 11

    Straf en verzoening - naar een nieuwe manier van denken en geloven

    Er zijn vragen die we niet kunnen negeren, hoe vaak we ze ook proberen weg te duwen. De betekenis van Jezus' dood is zo'n vraag. Ze blijft terugkomen, omdat ze de kern raakt van wat het christelijk geloof zegt over God, mens en wereld. Misschien ook omdat woorden zoals straf, schuld en plaatsvervanging steeds minder vanzelfsprekend klinken als we ze naast de Bijbel, geschiedenis en onze eigen ervaring van God leggen. Het is niet dat deze woorden leeg zijn geworden, maar soms verhullen ze meer dan ze onthullen. Ze passen niet meer zonder dat er iets wringt. Als je teruggaat naar de wereld van de Hebreeuwse Bijbel, valt meteen iets op dat de klassieke strafleer onder druk zet. Offers functioneren daar niet als strafmechanisme. Het dier wordt niet gestraft, de zonde wordt niet op het dier gelegd en het offer bevredigt niet Gods toorn. De logica van Leviticus gaat over reiniging, herstel en nabijheid. Het gaat om het wegnemen van onreinheid, het herstellen van gemeenschap en het openen van een ruimte waar mens en God elkaar weer kunnen ontmoeten. Dat is de wereld waarin Jezus en Paulus leefden. Het is dan vreemd om Jezus' dood te zien als een strafmoment dat in de Hebreeuwse Bijbel nergens voorkomt. Ook Paulus' taal wijst in een andere richting dan vaak wordt aangenomen. Het woord hilasterion in Romeinen 3 verwijst niet naar het stillen van toorn, maar naar het wegnemen van zonde en naar de plek waar God en mens elkaar weer kunnen ontmoeten. Moderne lexica, het gebruik in de Septuaginta en de Joodse liturgische traditie ondersteunen dat. Paulus spreekt bovendien in termen van verzoening, bevrijding, rechtvaardiging en participatie in Christus. Deze woorden bewegen richting transformatie, niet strafverplaatsing. Ze passen bij een God die mensen naar zich toe wil brengen, niet bij een God die eerst genoegdoening eist voordat hij kan vergeven. Zelfs Jesaja 53 vertelt een ander verhaal wanneer je het nauwkeurig leest. De dienaar draagt, geneest en leidt omwille van het volk, maar nergens staat dat God hem straft in plaats van het volk. De tekst spreekt over solidariteit, over het opnemen van andermans lasten en over het doorleven van onrecht. De evangelieën vertellen het verhaal van Jezus' dood ook niet als een strafmoment dat God nodig heeft om te vergeven. Ze laten zien hoe Jezus trouw blijft tot het einde, hoe Gods Koninkrijk botst met menselijke macht, hoe liefde zichtbaar wordt in kwetsbaarheid en hoe leven sterker blijkt dan dood. Het beeld van het paasland dat Johannes gebruikt, is veelzeggend. Het lam wordt niet gestraft, maar het beschermt en bevrijdt. Zo wordt het paasland beschreven in Exodus; het land opent een weg. De evangelieën kennen geen scène waarin God zijn toorn op Jezus uitstort. Ze vertellen eerder hoe menselijke macht en angst zich tegen hem keren en hoe God hem rechtvaardigt door hem op te wekken. Wanneer je vervolgens luistert naar de vroegste kerk, hoor je vooral taal van genezing, bevrijding en transformatie: Christus als genezer, bevrijder, degene die de mensheid binnenleidt in Gods leven. De taal van straf verschijnt pas veel later in een andere context met andere vragen. De vroegste christenen dachten niet in termen van een hemels-juridisch systeem dat moest worden voldaan, maar in termen van bevrijding uit slavernij, genezing van gebrokenheid en deelname aan nieuw leven. Dit alles doet ertoe, omdat geloof alleen kan ademen wanneer het waarachtig is. Als de taal van straf wringt – historisch, moreel of pastoraal – dan is het geen verlies om haar los te laten. Het is een uitnodiging om dieper te luisteren naar de schrift, traditie en ervaring van mensen. En dan komt een praktische vraag: hoe vieren we het avondmaal wanneer traditionele liturgische taal vaak spreekt over het offerlam dat voor onze zonden gestorven is? Hoe kunnen we deze tafel vieren zonder de substitutieve logica te herhalen die we theologisch niet langer kunnen dragen? Misschien begint dit met beseffen dat het avondmaal nooit bedoeld was als heropvoering van een hemels strafmoment. Het is een maaltijd, geen rechtszitting. Jezus breekt brood en deelt wijn om gemeenschap te scheppen. Hij geeft zichzelf niet als gestrafte, maar als degene die liefheeft tot het uiterste. De tafel is een plek van herinnering én tegenwoordigheid; een plek waar we proeven dat God nabij is; dat vergeving geen transactie, maar een gave is; dat gemeenschap geschonken wordt. Misschien kunnen we de taal van het offerlam opnieuw horen als bevrijding: het paaslam in Exodus wordt niet gestraft; het beschermt en opent een weg naar vrijheid. In die lijn kan het avondmaal een viering worden van bevrijding, reiniging en nieuw leven: een plek waar we leren dat verzoening begint bij liefde die zichzelf geeft. Misschien is dit de weg: niet de liturgie afschaffen, maar opnieuw horen; niet woorden schrappen, maar ze laten ademen in het licht van de schrift zelf; Niet de avondmaalstafel veranderen in een dogmatische boodschap, maar de maaltijd laten zijn wat ze altijd al was: een maaltijd vol genade, gemeenschap en leven sterker dan de dood. Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

    9 min
  5. JAN 5

    Zijn bloed kome over ons - een voorbeeld van retorische genocide

    Er zijn momenten waarop taal zijn onschuld verliest. Woorden die ooit bedoeld waren om iets te duiden, raken los van hun oorspronkelijke context en gaan een eigen leven leiden. Ze worden geladen, ideologisch, gevaarlijk. De geschiedenis van de christelijke omgang met Mattheüs 27:25 laat dat op pijnlijke wijze zien. De zin “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen” is in de loop der eeuwen verschoven van een dramatische uitspraak binnen een intern Joods conflict naar een van de meest destructieve instrumenten van christelijk antisemitisme. Niet omdat de tekst dat per se beoogde, maar omdat latere generaties hem hebben ingezet als retorisch wapen tegen een heel volk. De ethische waarde van taal ligt echter niet in de intentie, maar in de uitwerking. Wie de geschiedenis van het antisemitisme kent, herkent het patroon. Een tekst wordt uit zijn bedding gelicht, veralgemeniseerd, moreel verzwaard en vervolgens gebruikt om een collectief te demoniseren. De historische situatie vervaagt; wat overblijft is een ideologisch beeld van “de Joden” als moreel verdorven en schuldig. Zo ontstaat een blood libel: een beschuldiging die niet langer verwijst naar feiten, maar naar een vijandbeeld dat zichzelf voedt. Vanuit die historische gevoeligheid zie ik met groeiende zorg hoe in het hedendaagse debat over Israël vergelijkbare mechanismen werkzaam zijn. Termen als “genocide”, “apartheid”, “kolonialisme” en “bezetting” worden in bepaalde activistische contexten niet gebruikt als nauwkeurige juridische begrippen, maar als ideologische etiketten die een volk of een staat reduceren tot een morele karikatuur. Dat betekent niet dat elk gebruik van deze woorden per definitie onjuist of kwaadaardig is. Maar in vele discoursen functioneren ze niet langer beschrijvend; ze worden instrumenten van demonisering. Slogans die emoties aanwakkeren in plaats van de werkelijkheid te verhelderen. Wapens in een ideologische strijd, geen middelen tot analyse. Precies daarin schuilt hun gevaar. De parallellen met Mattheüs 27:25 zijn niet historisch, maar retorisch. In beide gevallen zien we hoe taal wordt losgemaakt van nuance en context, hoe een collectief wordt aangesproken alsof het één morele actor is, hoe een complex conflict wordt teruggebracht tot een zwart-witbeeld, en hoe woorden worden gebruikt om een vijandbeeld te creëren dat zich afsluit voor correctie. Wanneer ik hoor hoe pro-Palestijnse groepen en Hamas-aanhangers termen als “genocide” en “apartheid” hanteren, herken ik datzelfde mechanisme. De woorden dienen niet om een juridische discussie te voeren, maar om een moreel oordeel te vellen. Niet om de werkelijkheid te onderzoeken, maar om een vijandbeeld te bevestigen. Ze functioneren niet als begrippen, maar als beschuldigingen. In die zin zijn het moderne blood libels.Het gaat er niet om politieke kritiek onmogelijk te maken. Kritiek op staten, regeringen, beleid en militaire acties is essentieel in elke democratische samenleving. Maar kritiek verliest haar legitimiteit wanneer zij omslaat in demonisering. Wanneer woorden worden gebruikt om een volk te ontmenselijken, wanneer begrippen worden ingezet als wapens, wanneer taal wordt gebruikt om haat te mobiliseren, betreden we gevaarlijk terrein. De geschiedenis van het antisemitisme laat zien hoe snel zulke retoriek kan ontsporen. Daarom is het noodzakelijk deze mechanismen te benoemen. Niet om historische situaties gelijk te schakelen, maar om zichtbaar te maken hoe vijandbeelden ontstaan. Hoe taal groepen kan reduceren tot negatieve morele categorieën. Hoe woorden kunnen worden ingezet om haat te legitimeren. En hoe belangrijk het is om alert te blijven op elke vorm van retoriek die mensen ontmenselijkt, ongeacht wie het doelwit is.  Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

    4 min

About

Onder naam KOINONIA BIJBELSTUDIE verzorg ik regelmatig bijbelstudies en beschouwingen over het kerkelijke leven. Soli Deo Gloria! Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.