Het onderscheid tussen lo tit’aveh en lo tachmod vormt een van de meest subtiele morele structuren in de Thora. De rabbijnse traditie leest deze twee termen niet als synoniemen, maar als twee stadia in een psychologische keten: het innerlijke verlangen en het daaropvolgende plan om het object van dat verlangen te verwerven. De Sefer HaChinuch maakt dit onderscheid scherp: lo tit’aveh (Deut. 5:18) verbiedt het koesteren van verlangen in het hart, terwijl lo tachmod (Ex. 20:14) het uitvoeren van een plan verbiedt om het begeerde object te verkrijgen, zelfs wanneer dat via ogenschijnlijk legitieme middelen gebeurt. Het laatste gebod van de Decaloog vormt een opmerkelijke verschuiving van het uiterlijke naar het innerlijke. Waar de voorafgaande geboden handelen over daden die zichtbaar zijn voor de wereld, richt het verbod op begeren zich op een beweging van het hart. De Sefer HaChinuch maakt van deze verschuiving een verfijnde juridische en morele architectuur door lo tachmod en lo tit’aveh niet als één, maar als twee afzonderlijke verboden te tellen. Daarmee wordt het innerlijke leven van de mens niet slechts moreel beoordeeld, maar halachisch gearticuleerd. Exodus spreekt over lo tachmod, het begeren van het huis, de vrouw, de dienaren en de dieren van de naaste. Deuteronomium herhaalt het gebod, maar met een andere term: lo tit’aveh, het verlangen. De rabbijnse traditie heeft deze dubbele formulering nooit als stilistische variatie gelezen, maar als een intentionele differentiatie. De Sefer HaChinuch volgt deze lijn en stelt dat lo tit’aveh het koesteren van verlangen in het hart verbiedt, terwijl lo tachmod het uitvoeren van een plan verbiedt om het object van dat verlangen te verwerven. Het innerlijke verlangen en de uiterlijke daad zijn dus niet twee graden van hetzelfde kwaad, maar twee afzonderlijke overtredingen die elk op zichzelf staan. Het verlangen leidt tot het begeren, maar de Thora verbiedt beide stadia onafhankelijk van elkaar. De klassieke commentaren ondersteunen deze tweedeling, maar elk vanuit een eigen hermeneutische gevoeligheid. Rashi leest lo tachmod als een verbod dat pas wordt overtreden wanneer men daadwerkelijk handelt om het begeerde object te verkrijgen. Voor hem is het niet de gedachte die verboden is, maar de poging om het object te verwerven, zelfs wanneer men daarvoor betaalt, zolang de eigenaar onder druk werd gezet. Rashi’s lezing sluit nauw aan bij de halachische traditie die Deuteronomium 7:25 als bewijs gebruikt: begeren wordt pas overtreden wanneer men het object “neemt”, zelfs wanneer men het via een schijnbaar legitieme transactie verkrijgt. Sforno legt de nadruk op de innerlijke gerichtheid van het verlangen. Voor hem is lo tit’aveh geen verbod op spontane impulsen, maar op het cultiveren van een verlangen dat zich richt op wat niet toebehoort. Verlangen is voor Sforno geen reflex, maar een keuze: een mens kan zijn hart richten op wat hem toekomt, of op wat hem niet toebehoort. Lo tit’aveh is in zijn lezing een oproep tot innerlijke vrijheid, een discipline van het hart die voorkomt dat de mens zich laat meeslepen door de aantrekkingskracht van het bezit van de ander. Ramban biedt een synthese die zowel psychologisch als theologisch is. Hij stelt dat lo tachmod niet slechts een verbod is op het nemen van bezit, maar op het ontwikkelen van een verlangen dat zo sterk is dat het tot actie leidt. Voor Ramban is het verboden verlangen niet de vluchtige gedachte, maar het verlangen dat men vasthoudt, cultiveert en omzet in een plan. Zijn lezing maakt duidelijk waarom de Thora beide stadia afzonderlijk verbiedt: het verlangen is de wortel, de daad de vrucht. Door beide te verbieden, snijdt de Thora het kwaad af bij de bron én bij de uitwerking. Ibn Ezra gaat nog verder en stelt de vraag die elke moderne lezer stelt: hoe kan de Thora verlangen verbieden? Verlangen lijkt immers een spontane beweging van de menselijke psyche. Zijn antwoord is even eenvoudig als diepzinnig: een mens begeert slechts wat hij als bereikbaar beschouwt. Een boer kan de vrouw van zijn buurman begeren, maar nooit de prinses van het koninkrijk. De Thora gebiedt daarom niet het onmogelijk maken van verlangen, maar het herstructureren van de perceptie van wat “bereikbaar” is. Wanneer men werkelijk gelooft dat God de bezittingen van ieder mens heeft toegewezen, wordt het bezit van de ander even ver verwijderd als de prinses van de boer. Het verbod is dus niet een onderdrukking van verlangen, maar een heroriëntatie van het bewustzijn. Wanneer men deze rabbijnse inzichten toepast op Jezus’ uitspraak in Mattheüs 5:28 — “Wie een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd” — wordt duidelijk dat hij niet spreekt over een vluchtige gedachte, maar over een intentionele blik. De structuur van zijn uitspraak is identiek aan de structuur van lo tit’aveh: het gaat om het richten van het verlangen op een object dat jou niet toebehoort. Jezus radicaliseert de Thora niet; hij internaliseert haar op precies dezelfde manier als de rabbijnen, vooral Ramban, dat doen. Hij spreekt niet over de spontane impuls, maar over de intentionele blik die het verlangen activeert. De mens die een vrouw ziet en een gedachte voelt opkomen, overtreedt niets; de mens die haar “aanziet om haar te begeren” — die zijn blik richt, zijn verlangen vormt en zijn hart op een ander richt — overschrijdt de grens die de Thora stelt. De Sefer HaChinuch verbindt beide verboden aan het bredere verbod op diefstal in Leviticus 19:13. Niet omdat verlangen of begeren zelf diefstal zijn, maar omdat zij de psychologische wortel vormen van diefstal. De Thora kiest er daarom voor om niet het verbod op eigendomsdiefstal in de Tien Geboden op te nemen — dat gebod verwijst immers naar ontvoering — maar het verbod op begeren. Daarmee wordt de morele afstand die men moet bewaren tot het bezit van een ander radicaal vergroot: niet alleen de daad is verboden, maar zelfs de gedachte die tot de daad kan leiden. De discussie tussen Rambam en Ra’avad over de reikwijdte van lo tachmod illustreert deze spanning tussen innerlijk en uiterlijk. Rambam stelt dat zelfs wanneer de eigenaar uiteindelijk instemt met de verkoop, de koper het verbod overtreedt als hij hem onder druk heeft gezet. Ra’avad daarentegen beperkt het verbod tot gevallen waarin de eigenaar niet instemt en het object wordt genomen alsof het diefstal betreft. Rambam legt de nadruk op de intentie en de psychologische dynamiek van dwang; Ra’avad op de juridische status van de handeling. Beide posities tonen dat lo tachmod zich op het grensvlak bevindt van ethiek en recht, van innerlijk en uiterlijk, van verlangen en daad. Het verbod op verlangen en begeren is daarmee geen ascetische oproep tot emotionele onderdrukking, maar een verfijnde morele pedagogie. De Thora erkent dat verlangen de motor is van menselijke actie, maar zij eist dat deze motor niet gericht wordt op het bezit van de ander. De mens wordt opgeroepen om zijn verlangens te richten op wat hem toekomt, niet op wat hem niet toebehoort. In deze zin is lo tit’aveh de innerlijke discipline die lo tachmod mogelijk maakt, en lo tachmod de uiterlijke grens die lo tit’aveh beschermt. Het laatste gebod van de Decaloog is dus geen randverschijnsel, maar de voltooiing van de morele orde. Het verbiedt niet slechts de overtreding van de grens van de ander, maar zelfs de eerste beweging van het hart die die grens zou kunnen overschrijden. Het is een gebod dat de mens niet klein maakt, maar groot: het veronderstelt dat hij in staat is zijn verlangens te richten, zijn gedachten te ordenen en zijn hart te vormen naar een hogere maatstaf. In die zin is lo tachmod niet het einde van de Tien Geboden, maar hun kroon. Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.