Apothekers Podcast met Harm Geers

Harm Geers, PharmD, PhD

Harm Geers is apotheker en bespreekt wekelijks allerlei zaken over geneesmiddelen.

  1. 2d ago

    Podcast serie Hypertensie #4: Resistente Hypertensie & Innovatie

    Samenvatting Deze aflevering/lecture behandelt therapieresistente hypertensie en primair hyperaldosteronisme als belangrijke oorzaak. Resistente hypertensie wordt gedefinieerd als persisterend verhoogde bloeddruk boven behandeldoelen ondanks minimaal drie antihypertensivaklassen (calciumantagonist, RAS-remmer, diureticum), met prevalentie ~10–20% algemeen, hoger bij chronische nierschade (22,9%) en ouderen (12,3%). Voor diagnose moeten meetfouten en secundaire oorzaken worden uitgesloten: therapieontrouw (zeer frequent; herhaaldelijk controleren), witte-jaseffect, hoge zoutinname, OSAS, en middelen zoals NSAID’s, alcohol, orale anticonceptiva, cocaïne en drop (glycyrrhizinezuur). Primair hyperaldosteronisme veroorzaakt circa 17–23% van resistente gevallen en verhoogt het risico op cardiovasculaire en renale complicaties 2–6 keer, via inflammatie, fibrose en oxidatieve stress. Etiologie: autonome aldosteronproductie door unilateraal bijnieradenoom (curatief te opereren) of bilaterale hyperplasie (APCC’s; farmacotherapie nodig). Risicofactoren: jonge leeftijd (4 mmol/L, geen lage zoutinname, minstens 2 uur rechtop en 5 minuten rust voor afname; minimale reninedrempel hanteren. Bevestigingstests: orale/IV zoutbelasting, captopril-challenge of fludrocortison-onderdrukkingstest; persisterend verhoogde aldosteron ondanks onderdrukking bevestigt de diagnose. Differentiatie tussen unilateraal adenoom en bilaterale hyperplasie is essentieel voor therapiekeuze. Farmacotherapie bij therapieresistente hypertensie en hyperaldosteronisme: Mineraalreceptorantagonisten (MRA) zijn eerste keuze: spironolacton 25–50 mg (Pathway-2: beste effect; −8,7 mmHg vs placebo, ~−4 mmHg meer dan doxazosine/bisoprolol). Let op hyperkaliëmie en anti-androgene bijwerkingen (gynecomastie, menstruatiestoornissen); eplerenon is alternatief met minder hormonale effecten. Finerenon is niet geregistreerd voor deze indicatie.ENaC-remmers zoals amiloride verminderen aldosteron-gemedieerde natriumreabsorptie; leverbaarheid beperkt.Andere antihypertensiva (bètablokkers, alfablokkers, centraal werkende middelen, vasodilatatoren) zijn secundaire opties.Nieuwe therapieën: aldosteronsynthase-remmers (CYP11B2-remmers) zoals baxdrostat, lorundrostat en ficadrostat remmen de bron van aldosteronproductie met hoge selectiviteit voor CYP11B2 boven CYP11B1 (cortisolroute). Klinische studies tonen systolische bloeddrukdalingen van ~6–11 mmHg vs placebo bij resistente hypertensie; veiligheidsprofielen omvatten beheersbare hyperkaliëmie, vroege hyponatriëmie en reversibele GFR-daling, zonder effect op cortisolspiegels. Ze missen anti-androgene bijwerkingen en bieden potentieel voor orgaanprotectie; ze vormen de eerste nieuwe antihypertensieve klasse in ~20 jaar. Apothekersrol: systematische monitoring van kalium, natrium en nierfunctie (vooral in de eerste weken bij synthaseremmers en bij MRA’s); optimalisatie van bestaande antihypertensieve doseringen; bewaken van therapietrouw; afstemmen van medicatie op diagnostiek (ARR-compatibiliteit). Nascholing en verdere verdieping zijn beschikbaar via apothekerspodcast.nl. Kennispunten Resistente hypertensie: definitie, prevalentie en risicogroepen; noodzaak tot uitsluiten van secundaire oorzaken en meetfouten.Primair hyperaldosteronisme: prevalentie, etiologie (adenoom vs bilaterale hyperplasie), risicofactoren en verhoogd cardiovasculair/renaal risico.Pathofysiologie: RAAS, genomische en niet-genomische aldosteroneffecten, oxidatieve stress, inflammatie en fibrose.Diagnostiek: ARR met juiste voorbereiding, interfererende medicatie, bevestigingstests en differentiatie voor therapiekeuze.Behandeling: MRA’s (spironolacton/eplerenon), ENaC-remmers, overige antihypertensiva; opkomende aldosteronsynthase-remmers met veelbelovende effectiviteit en veiligheid.Monitoring en therapietrouw: elektrolyten en nierfunctie controleren, schema’s vereenvoudigen, tijdelijke ARR-compatibele middelen inzetten.Professionele nascholing: apothekerspodcast.nl voor punten en verdieping.

    43 min
  2. 2d ago

    Podcast serie Hypertensie #3: De Kunst van het Afbouwen

    De podcast behandelt het afbouwen (“deprescriben”) van antihypertensieve medicatie bij zeer oude en/of kwetsbare patiënten naar aanleiding van de nieuwe hypertensierichtlijn. Via casuïstiek, definities van kwetsbaarheid (Clinical Frailty Scale en NHG‑benadering) en een overzicht van kernstudies (o.a. PARTAGE, Leiden 85-plus, DANTE, OPTIMISE, DANTON, Liu-cohort, Cochrane-review) wordt onderbouwd dat een lage behandelde bloeddruk bij kwetsbare ouderen geassocieerd is met hogere mortaliteit en snellere cognitieve achteruitgang. Centraal staat de RETREAT-FRAIL-studie: gestructureerde afbouw bij zeer oude, kwetsbare verpleeghuisbewoners met systolische bloeddruk 1100 kwetsbare verpleeghuisbewoners (80+, gem. 88 jaar), Frankrijk/Italië.    - Interactie: lage SBP en ≥2 antihypertensiva.    - SBP 36.000 patiënten; verpleeghuissetting.    - Behandelde lage BP, 110 mmHg geassocieerd met hogere mortaliteit (HR ~1,36–1,47).    - Intensieve verlaging tot zeer lage BP kan schadelijk zijn. * **Cochrane-review (2025)**    - 60 RCT’s, follow-up 4–56 weken.    - Afbouw waarschijnlijk haalbaar; bewijskwaliteit laag.    - Nodig: robuuster onderzoek bij alleroudsten → aanleiding voor RETREAT-FRAIL. ### 4. RETREAT-FRAIL-studie: opzet, resultaten en implicaties * **Algemene informatie en populatie**    - Reduction of Antihypertensive Treatment in Frail Patients; NEJM; Frankrijk.    - 108 verpleeghuizen; 1048 bewoners; follow-up mediaan 38,4 maanden.    - Inclusie: ≥80 jaar (gem. 90,1), ≥2 antihypertensiva, SBP 130 mmHg, frail; MMSE gem. 13,4; merendeels vrouw.    - Interventie: programmateus afbouwprotocol vs gebruikelijke zorg. * **Effect op medicatiegebruik en bloeddruk**    - Middelen: afbouwgroep 2,6 → 1,5; controle 2,5 → 2,0.    - SBP: afbouwgroep gemiddeld 4,1 mmHg hoger dan controle; geen grote stijging. * **Primaire en secundaire uitkomsten**    - Primair: totale sterfte — afbouw 61,7% vs controle 60,2% (niet significant).    - Secundair: MACE, vallen, fracturen, cognitie, QoL — geen klinisch relevante verslechtering of verbetering. * **Conclusies**    - Bij zeer oude, kwetsbare verpleeghuisbewoners met SBP 130 mmHg is gestructureerd afbouwen:      - Veilig.      - Haalbaar.    - Geen sterftewinst, maar ook geen verhoogd sterfterisico.    - Praktisch relevant voor openbare farmacie en verpleeghuiszorg: bij ≥2 middelen en lage BP kan afbouw systematisch worden ingevoerd. ### 5. RETREAT-FRAIL-afbouwprotocol: praktische toepassing * **Doelgroep**    - ≥80 jaar, ≥2 antihypertensiva, SBP 130 mmHg; bij voorkeur (zeer) kwetsbare verpleeghuisbewoners. * **Voorbereiding: Lijst 1 en Lijst 2**    - Lijst 1: afbouwbare antihypertensiva zonder dwingende andere indicatie.    - Lijst 2: essentiële medicatie met harde indicatie:      - ACE-remmers/β-blokkers bij HFrEF.      - β-blokkers na recent MI of bij ritmestoornissen.    - Lijst 2 bij voorkeur niet afbouwen. * **Evaluatie- en controlemomenten**    - Start na beoordeling medicatielijst en BP.    - Evaluaties: na 3 maanden, 6 maanden, vervolgens elke 6 maanden.    - Bij elk moment BP en kliniek beoordelen; beslissen over verdere afbouw. * **“One-per-time”-regel**    - Per gepland bezoek slechts één Lijst 1-middel staken.    - Vergemakkelijkt causale beoordeling en voorkomt onduidelijkheid. * **Basisregel voor voortzetting**    - Doorgaan als SBP 130 mmHg blijft en geen acute ziekte/instabiliteit.    - Volgende controle: opnieuw één Lijst 1-middel stoppen. * **Specifieke afbouwregels**    - β-blokkers: niet abrupt; dosis halveren 1 week, daarna staken bij SBP 130 mmHg en stabiele kliniek.    - Lisdiuretica: idem; bij zeer lage dosis mag direct stoppen.    - ACE-remmers/ARB’s/calciumantagonisten: mogen in één keer worden gestopt.    - Overige: stap-voor-stap, met monitoring. * **Veiligheidsanker: herstartcriteria**    - Drempel: SBP ≥160 mmHg.    - Actie: afbouw stoppen; laatst gestopte middel herstarten in halve oorspronkelijke dosis. * **Praktische implicaties voor apothekers (NL)**    - Vertaalbaar naar verpleeghuizen/eerste lijn:      - Selecteer patiënten ≥80 jaar, ≥2 antihypertensiva, SBP 130 mmHg.      - Werk samen met huisarts/specialist ouderengeneeskunde voor Lijst 1/2.      - Monitoren en periodiek evalueren.    - Verwacht: minder polyfarmacie, bijwerkingen en kosten, zonder nadelige sterfte-impact. ### 6. Interpretatie van de literatuur: lage bloeddruk, cognitie en veiligheid * **Gezamenlijke conclusies**    - Bij kwetsbare zeer oude gebruikers van antihypertensiva is lage SBP herhaaldelijk geassocieerd met:      - Verhoogde sterfte.      - Versnelde cognitieve achteruitgang (Leiden 85-plus).    - Benefit-harm-balans verschuift: te agressieve BP-verlaging kan schadelijk zijn (J-curve). * **Cognitieve impact en risico’s**    - Overwegend negatieve cognitieve impact van (te) lage BP bij kwetsbare ouderen.    - Afbouwen bij dementie is complex:      - DANTE (milde stoornis): veilig, geen cognitieve winst.      - DANTON (gevorderd): meer delirium en vallen; proactief stoppen niet aanbevolen.    - RETREAT-FRAIL:      - Gemiddelde MMSE 13,4 (aanzienlijke beperking).      - Gestructureerde afbouw: geen verslechtering van cognitie, geen toename in vallen of MACE t.o.v. standaardzorg.      - Belangrijke tegenhanger van DANTON: protocolmatig afbouwen kan veilig zijn. * **Nuance DANTON vs. RETREAT-FRAIL**    - DANTON: gevorderde dementie, voortijdig gestopt, ongunstige uitkomsten; mogelijk minder strikt protocol.    - RETREAT-FRAIL: zeer oude, kwetsbare populatie; strikt stapsgewijs protocol met veiligheidsanker; geen sterfteverschil en geen duidelijke verslechtering in secundaire uitkomsten.    - Praktisch: afbouwen kan veilig zijn met strikt protocol, goede monitoring, alertheid op delirium/vallen; bij gevorderde dementie extra voorzichtig en individueel afwegen. ### 7. Terugkoppeling naar de casuïstiek en klinische beslissingen * **Casus 1 (76-jarige fitte man, 165 mmHg)**    - Fit, zelfstandig; hoge SBP.    - Richtlijnen: intensiveren antihypertensiva.    - Afbouw niet aan de orde; focus op preventie. * **Casus 2 (91-jarige kwetsbare verpleeghuisbewoonster, CFS 7, 115 mmHg)**    - Zeer kwetsbaar, polyfarmacie, lage SBP.    - Aanpak conform RETREAT-FRAIL:      - Lijst 1/2 bepalen.      - Per evaluatie één Lijst 1-middel stoppen.      - Monitoren op 3, 6, daarna elke 6 maanden.      - Doorgaan bij SBP 130 mmHg en stabiliteit.      - Herstart bij SBP ≥160 mmHg in halve dosis.    - Doel: overbehandeling, polyfarmacie en J-curve-risico reduceren. * **Casus 3 (85-jarige man, verzorgingshuis, matige dementie, 2 middelen, 142 mmHg)**    - Niet verpleeghuis; matige dementie; SBP 142 mmHg.    - Pro’s: minder polyfarmacie, minder risico op orthostase/vallen/nierproblemen.    - Con’s: mogelijke BP-stijging en ongunstige effecten; signalen uit DANTON bij gevorderde dementie.    - Besluit: individuele risico-batenanalyse met patiënt/familie; multidisciplinair overleg; eventueel zeer geleidelijk en strikt afbouwen met intensieve monitoring, of conservatieve benadering bij acceptabele BP. * **Algemene boodschap voor apothekers**    - Minder medicatie is vaak beter bij zeer oude, kwetsbare patiënten, mits:      - Zorgvuldig, gestructureerd (RETREAT-FRAIL).      - Duidelijke criteria (leeftijd, aantal middelen, BP, kwetsbaarheid).      - Voldoende follow-up/monitoring.    - Afbouw is geen middel om cognitie te verbeteren, maar kan polyfarmacie, bijwerkingen en kosten verminderen zonder sterfte-impact.

    30 min
  3. 2d ago

    Podcast serie Hypertensie #2: Diagnostiek onder het Vergrootglas

    De verdiepende aflevering van de Apothekerspodcast onderzoekt waarom lagere bloeddrukstreefwaarden (tot onder 120 mmHg systolisch) steeds vaker worden nagestreefd, en biedt een historische en kritische bespreking van klinische studies van 2009 t/m 2025. Aan de hand van de casus van meneer Van Dongen (65 jaar, type 2 diabetes, PAV, recent gestopt met roken) worden verschillen tussen Amerikaanse, Europese en Nederlandse richtlijnen, meetmethoden (thuis vs. praktijk), en risico’s van te lage bloeddruk (J-curve) besproken. Belangrijke studies zoals SPRINT, STEP, ESPRI(T) en BP Road tonen voordelen van intensieve behandeling bij hoogrisicopatiënten, inclusief diabetici en post-beroerte, terwijl bij zeer oude of kwetsbare ouderen een te lage bloeddruk schadelijk kan zijn (cognitieve achteruitgang, hogere sterfte). De podcast geeft concrete behandelstappen, combinatietherapieën, comorbiditeitsgebonden keuzes, veiligheidsmonitoring (GFR, natrium, kalium) en praktische punten zoals sick day rules en FTO-materialen. Dit is relevant voor apothekers om behandeling te individualiseren, meetcontext correct te interpreteren, en nauw samen te werken met huisartsen. De aflevering werd gemaakt op 2026-01-04. ## 🔖 Kennispunten ### 1. Casus: Meneer Van Dongen en interpretatie van bloeddrukmetingen * Indicaties en voorgeschiedenis    - 65 jaar, type 2 diabetes sinds 5 jaar (goed gereguleerd), lichte perifeer arterieel vaatlijden, BMI 28 kg/m², recent gestopt met roken, dagelijks wandelen, vitaal.    - In Florida (VS) otitis externa na jacuzzi; lokale arts schreef oordruppels met antibiotica en mat bloeddruk. * Bloeddrukmeting en initiële therapie    - Bloeddruk 138/86 mmHg (gemiddelde van 3 metingen, arts aanwezig, praktijksetting).    - Directe start in VS: single-pill combination enalapril + chlortalidon. * Meetcontext en herinterpretatie    - Praktijkmetingen zijn vaak 10–15 mmHg hoger dan onbeheerde automatische/thuismetingen (witte-jasseneffect).    - Correctie zou 138 → circa 123 mmHg kunnen betekenen; mogelijk geen noodzaak voor medicamenteuze therapie indien thuiswaarde adequaat. * Richtlijnverschillen voor deze casus    - Amerikaanse en ESC-richtlijnen: eerder starten met medicatie bij dergelijke waarden/risico’s.    - NHG (NAG): terughoudender; eerst aanvullende risicoschatting (bijv. SCORE2) en thuisbloeddrukmetingen; shared decision making met patiënt. ### 2. Historie en kernresultaten van klinische trials (2009–2025) * Overzicht van belangrijke studies en jaartallen    - 2009 CardioSys: eerste aanwijzingen voor behandeling tot 11.000 patiënten; 3,4 jaar; ≥50 jaar, hoog CV-risico; 39% met diabetes, 27% met beroerte in voorgeschiedenis.    - Eindpunten: MI, revascularisaties, hartfalen, beroerte, CV-sterfte.    - 12% minder events; 39% reductie in cardiovasculaire sterfte; meer syncope en >40% GFR-dalingen.    - Conclusie: 15%, of leeftijd >75 jaar.    - Diabetici en patiënten met eerdere beroerte uitgesloten. * ESPRI(T)/BP Road-populaties    - Vergelijkbare hoogrisicogroepen, maar inclusief diabetici en post-beroerte; tonen voordelen van lage streefwaarden in deze groepen. * STEP-populatie en uitkomsten    - 60–80 jaar, vitaal; BP 140/90 of op medicatie; vooral Chinese populatie; beroerte uitgesloten.    - Streef: 110–130 mmHg; uitkomsten: 33% afname beroertes, 73% afname hartfalen. * Meetmodaliteiten en implicaties    - SPRINT: onbeheerde automatische meting; 5 minuten rust; lagere waarden (10–15 mmHg lager dan praktijk).    - STEP/ESPRI(T): praktijkmetingen; 3 metingen met 1 minuut interval; arts aanwezig; hogere waarden dan thuismeting.    - Interpretatie: thuismetingen voorspellen beter; praktijk kan witte-jasseneffect geven; klinische beslissingen moeten meetcontext meewegen. ### 4. J-curve en risico’s van te lage bloeddruk * Conceptuitleg    - Relatie tussen bloeddruk en events heeft J-/U-vorm: te hoge bloeddruk veroorzaakt orgaanschade; te lage bloeddruk verhoogt risico door verminderde perfusie. * Mechanismen bij lage bloeddruk    - Verminderde perfusie van vitale organen; lagere diastole BP vermindert coronair perfusie (diastolisch), verhoogt MI-risico.    - Lage BP kan samengaan met kwetsbaarheid, hartfalen, kanker; confounding in observationele verbanden tussen lage BP en sterfte. * Kwetsbare ouderen: evidence    - Partage-studie: lage bloeddruk verdubbelt sterfterisico in verpleeghuispopulaties.    - Leiden 85PLUS: snellere cognitieve achteruitgang bij lage bloeddruk. * Veilig bereik en ondergrenzen    - Veilig bereik tot ~120/70 mmHg; niet lager.    - Ondergrenzen ~90/50 mmHg als potentieel gevaarlijk.    - Benadrukt individualisering per patiënt. ### 5. Richtlijnen: NHG (NAG), ESC en American Heart Association * Hypertensiedefinitie en streefwaardes    - NHG/ESC: hypertensie ≥140/90 mmHg.    - AHA: ≥130/80 mmHg al verhoogd.    - Streef: NHG 140 mmHg in NHG/ESC; AHA eveneens (eerder bij lagere drempels afhankelijk van stadium).    - Monotherapie: NHG bij kwetsbaarheid of 150 mmHg.      - ESC/AHA: vaak bij >140/90; AHA stimuleert single-pill combinations (ACE/ARB + CCB of thiazide-type diureticum). * Beta-blokkers    - NHG: één van vier hoofdklassen, maar primair bij specifieke indicaties (post-MI, hartfalen).    - ESC/AHA: niet eerste keuze bij ongecompliceerde hypertensie; wel bij indicaties (HF, ritmestoornissen, AF). * Resistente hypertensie    - Toevoeging spironolacton 25–50 mg/dag volgens NHG en ESC.    - Nieuwe klassen in aantocht: aldosteronsynthese-remmers (aangekondigd voor latere podcast). * Etniciteit    - AHA: etniciteit verwijderd uit behandelkeuze (gelijkheid).    - ESC/NHG: voorkeur CCB + diureticum bij mensen van Afrikaanse herkomst/Sub-Sahara Afrika. * Combinaties vermijden    - ACE + ARB combinatie afgeraden in alle richtlijnen (nierbeschadiging, hyperkaliëmie). ### 6. Comorbiditeit-gestuurde medicatiekeuzes * Diabetes en CKD    - ACE-remmers of ARB’s aanbevolen, vooral bij albuminurie/CKD; verlagen intraglomerulaire druk; vertragen diabetische nefropathie; hoekstenen voor nierbehoud en CV-eventreductie. * Hartfalen    - Strikt protocol: ACE-remmer, beta-blokker, MRA (spironolacton), SGLT2-remmer; hypertensie slechts één aspect. * Post-MI/angina pectoris    - Beta-blokkers belangrijk, vaak gecombineerd met ACE-remmer. * Atriumfibrilleren    - Beta-blokker of non-dihydropyridine CCB (diltiazem, verapamil) voor frequentiecontrole. * Perifeer arterieel vaatlijden (PAV)    - ACE-remmers hebben gunstig vasculair effect; relevant voor keuze. * Zwangerschap    - ACE, ARB, spironolacton gecontra-indiceerd (foetale schade).    - Voorkeur: methyldopa, labetalol, nifedipine met vertraagde afgifte. ### 7. Veiligheidsmonitoring en laboratoriumcontrole * Tijdstip controles    - NHG: eerste controle na 2 weken.    - ESC: 1–3 maanden bij stabiele patiënten.    - AHA: 2–4 weken bij start of dosistitratie. * Te monitoren parameters    - Nierfunctie (GFR/creatinine), natrium, kalium; ESC voegt albumine/creatinine-ratio (urine) toe voor albuminurie (aanbevolen, zeker bij diabetes). * GFR-daling: acceptatiegrenzen    - Casus: GFR van 70 → 50 ml/min na start enalapril + chlortalidon (−29%).    - NHG: tot 20% daling acceptabel; zou niet accepteren, beleid: ACE-remmer halveren.    - ESC/AHA: tot 30% daling acceptabel; bij −29% nog geen aanpassing vereist.    - Altijd oorzaak nagaan: ziek geweest? sick day rules? hypotensie? NSAID-gebruik? * Natrium en kalium    - Thiaziden (chlortalidon) kunnen hyponatriëmie veroorzaken; risico hoger bij oudere vrouwen; controle na ~2 weken.    - Kalium: referentie 3,5–5,0 mmol/L; acceptabel tot 5,5; >5,5: ACE-remmer halveren; ≥6,0: direct stoppen en herbeoordelen.    - Pseudohyperkaliëmie uitsluiten (hemolyse/stuwing); snelle herhaalmeting. * Sick day rules    - Bij intercurrente ziekte (braken, overgeven, koorts, onvoldoende intake): dosering aanpassen of tijdelijk stoppen voor risicomiddelen (ACE-remmers, SGLT2-remmers).    - Praktijkinrichting: dosecodes/waarschuwingen in apotheek; instructie contact opnemen bij koorts/braken/niet drinken of extreme hitte. ### 8. Praktische samenwerking en vervolgstappen voor apothekers * Risicoschatting en thuismetingen    - SCORE2 gebruiken; meerdere thuisbloeddrukmetingen organiseren voor betrouwbaardere interpretatie. * Shared decision making    - Bespreek patiëntvoorkeuren en langetermijndoelen; individualiseer streefwaarden op basis van risico, tolerantie en kwetsbaarheid. * FTO en educatie    - Beschikbaar: gratis PowerPoint op apotheekspodcast.nl met samenvatting van deze en eerdere aflevering voor FTO-besprekingen. ### 9. Toekomstige onderwerpen en kanttekeningen * Zeer oude populatie    - Volgende verdiepende podcast: lage bloeddruk bij zeer ouderen; studies Partage en Leiden 85PLUS; voorzichtigheid wegens cognitieve risico’s. * Resistente hypertensie en hyperaldosteronisme    - Aparte podcast: oorzaken, diagnostiek, en nieuwe medicatie (aldosteronsynthese-remmers). ## ❓ Vragen - [Insert Question/Confusion] ## 📚 Opdrachten - [ ] 1. Organiseer thuismetingen vo

    39 min
  4. Jun 4

    Podcast serie Hypertensie #1: Navigeren door Richtlijnen & Fysiologie

    Deze podcast biedt een diepgaande vergelijking van de Amerikaanse (AHA) en Europese (ESC/NHG) richtlijnen voor hypertensie. De spreker analyseert de verschillen in definities, prevalentiecijfers, risicobeoordelingsmodellen (PREVENT vs. SCORE 2), en behandelstrategieën. De sessie benadrukt de langetermijngevolgen van hoge bloeddruk, de cruciale rol van de apotheker, en het belang van correcte bloeddrukmeting en leefstijlinterventies. De discussie over hypertensie start met een casus: een rokende man van 55 jaar met een gemiddelde thuisbloeddruk van 135/84 mmHg en verder goede labwaarden. De behandeling voor deze man verschilt drastisch per continent: in de Verenigde Staten zou hij waarschijnlijk twee soorten medicatie krijgen, terwijl hij in Europa enkel een leefstijladvies, zoals stoppen met roken, zou ontvangen. Dit verschil komt voort uit de fundamenteel andere definities van hypertensie. Europese SCORE 2 & SCORE 2-OP: Doel: Voorspelt het 10-jaarsrisico op fatale én niet-fatale cardiovasculaire gebeurtenissen. De SCORE 2-OP is voor ouderen (>70 jaar) en voorspelt 5- of 10-jaarsrisico, inclusief ziekenhuisopname voor hartfalen. Doelgroep: Personen tussen 40-69 jaar (SCORE 2) of >70 jaar (SCORE 2-OP) zonder eerdere hart- en vaatziekten of diabetes. Variabelen: Leeftijd, rookstatus, systolische bloeddruk, totaal cholesterol en HDL-cholesterol. Kenmerken: Maakt gebruik van regionale kalibratie voor vier risicoregio’s in Europa en corrigeert voor sterfte door andere oorzaken (competerend risico). Het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) hanteert een variant die non-HDL cholesterol gebruikt. Amerikaanse PREVENT-score: Doel: Voorspelt het 10- én 30-jaarsrisico op totale cardiovasculaire ziekten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen atherosclerotische ziekten (hartinfarct, beroerte) en hartfalen. Doelgroep: Personen tussen 30-79 jaar. Variabelen: Naast de traditionele factoren integreert dit model ook de nierfunctie (eGFR) en de sociaaleconomische status (Social Deprivation Index). Kenmerken: Dit model is uniek door de integratie van het CKM-syndroom (Cardiovasculair, Kidney, Metabool), waarmee risicofactoren als obesitas, diabetes en chronische nierschade expliciet worden meegenomen. Het 30-jaarsrisico is met name waardevol om het effect van vroegtijdige interventies bij jongere personen in te schatten. Vergelijking van Farmacologische Behandelstrategieën De medicamenteuze aanpak van hypertensie verschilt aanzienlijk tussen de richtlijnen. Alle richtlijnen adviseren een combinatie van een RAS-remmer (ACE-remmer of ARB) met een calciumantagonist of een diureticum. Een interessante bevinding is dat de combinatie van een RAS-remmer met een calciumantagonist het risico op enkeloedeem (een veelvoorkomende bijwerking van calciumantagonisten) aanzienlijk kan verminderen. Bètablokkers worden afgeraden als standaardtherapie bij ongecompliceerde hypertensie (NHG/ESC), maar de AHA-richtlijn ziet wel een rol bij specifieke aandoeningen zoals hartfalen of na een hartinfarct. De combinatie van een ACE-remmer met een ARB wordt in alle richtlijnen sterk afgeraden vanwege een verhoogd risico op nierschade en hyperkaliëmie. De Amerikaanse richtlijn noemt al nieuwe aldosteronsynthese-remmers (baxdrostat, lorundrostat) voor resistente hypertensie, terwijl deze in Europa nog niet worden aangeraden. De Rol van de Apotheker en Leefstijlinterventies Zowel de apotheker als leefstijlinterventies spelen een cruciale rol in effectief hypertensiemanagement. De nieuwe Amerikaanse richtlijn benadrukt expliciet de waarde van de apotheker binnen een multidisciplinair behandelteam. Studies tonen aan dat apothekerszorg de systolische bloeddruk met gemiddeld 7,1 mmHg extra kan verlagen. Specifieke rollen voor de apotheker: Signaleren en aanpakken van therapieontrouw. Vereenvoudigen van medicatieschema’s, bijvoorbeeld door het voorstellen van combinatiepillen. Ondersteunen van gezamenlijke besluitvorming door heldere voorlichting. Bewaken van contra-indicaties, interacties en elektrolytstoornissen (zoals kalium). Voorlichting geven over ‘sick day rules’ (medicatieaanpassing bij ziekte). Adviseren over ‘deprescribing’ (afbouwen van medicatie) bij kwetsbare ouderen. Effectieve leefstijlinterventies: Leefstijlaanpassingen kunnen de bloeddruk significant verlagen, soms zelfs zodanig dat medicatie (nog) niet nodig is. Zoutbeperking: Streef naar maximaal 6 gram zout per dag. Elke gram zoutreductie verlaagt de bloeddruk met circa 3,1 mmHg bij hypertensiepatiënten. Kaliuminname: Verhoog de inname via groenten en fruit (>3,5 gram/dag). Kalium heeft een bloeddrukverlagend effect en verlaagt het risico op een beroerte met 24%. Gezonde voeding: Volg een mediterraan dieet zoals het DASH-dieet, wat de bloeddruk met 5-8 mmHg (systolisch) kan verlagen. Gewichtsverlies: 5% gewichtsverlies bij een BMI >25 leidt tot een bloeddrukdaling van circa 4,4 mmHg. Lichaamsbeweging: Streef naar 150 minuten matig-intensieve (wandelen, fietsen) of 75 minuten intensieve inspanning per week, aangevuld met krachttraining. Dit kan de bloeddruk met 4-10 mmHg verlagen. Stoppen met roken: Dit is de belangrijkste vermijdbare risicofactor voor hart- en vaatziekten. Alcoholmatiging: Streef naar onthouding, of maximaal 1 glas/dag (vrouwen) of 2 glazen/dag (mannen). Stressmanagement: Technieken zoals cognitieve gedragstherapie kunnen de bloeddruk helpen verlagen.

    1h 5m
  5. 11/03/2024

    # 78 Pathofysiologie van inflammatoire darmziekten, colitis ulcerosa in het bijzonder

    1. Verstoorde slijmbarrière: De binnenste slijmlaag van de dikke darm, die normaal gesproken ondoordringbaar is voor bacteriën, wordt dunner en verliest zijn integriteit.2. Verhoogde bacteriële translocatie: Door de verstoorde slijmbarrière kunnen bacteriën uit de darm gemakkelijker in contact komen met het darmepitheel.Dit leidt tot een verhoogde blootstelling van het immuunsysteem aan bacteriële antigenen.3. Activatie van het immuunsysteem: De verhoogde blootstelling aan bacteriële antigenen activeert het immuunsysteem, met name in de lamina propria van de dikke darm.Dit leidt tot de infiltratie van verschillende immuuncellen, waaronder neutrofielen, macrofagen, dendritische cellen en T-lymfocyten.4. Ontstekingsreactie: Geactiveerde immuuncellen produceren een scala aan pro-inflammatoire cytokinen, zoals TNF-α, IL-1β, IL-6, IL-17 en IL-23.Deze cytokinen versterken de ontstekingsreactie, wat leidt tot schade aan het darmepitheel en de vorming van zweren.IL-13 en IL-9, geproduceerd door respectievelijk ILC2's en Th9-cellen, kunnen de integriteit van de darmbarrière verder verstoren door de expressie van claudine-2 in tight junctions te verhogen en de apoptose van epitheelcellen te bevorderen.5. Chronische ontsteking: De ontstekingsreactie in CU wordt chronisch, met periodes van opvlamming en remissie.Tijdens actieve ziekte blijft de bacteriële translocatie verhoogd en de immuunrespons geactiveerd.Zelfs tijdens remissie kunnen er aanhoudende veranderingen zijn in de functie van slijmbekercellen en de slijmlaag. Dit kan erop wijzen dat eerdere ontstekingen blijvende schade hebben veroorzaakt of dat er predisponerende defecten zijn die de patiënt vatbaarder maken voor terugkerende ontstekingen6. Literatuur 1. Ghilas S, O’Keefe R, Mielke LA, Raghu D, Buchert M, Ernst M. Crosstalk between epithelium, myeloid and innate lymphoid cells during gut homeostasis and disease. Front Immunol. 2022;13:944982. 2. Leppkes M, Neurath MF. Cytokines in inflammatory bowel diseases – Update 2020. Pharmacol Res. 2020;158:104835. 3. Schulz-Kuhnt A, Neurath MF, Wirtz S, Atreya I. Innate Lymphoid Cells as Regulators of Epithelial Integrity: Therapeutic Implications for Inflammatory Bowel Diseases. Front Med. 2021;8:656745. 4. Kang L, Fang X, Song YH, He ZX, Wang ZJ, Wang SL, et al. Neutrophil–Epithelial Crosstalk During Intestinal Inflammation. Cell Mol Gastroenterol Hepatol. 2022;14(6):1257–67. 5. Saez A, Herrero-Fernandez B, Gomez-Bris R, Sánchez-Martinez H, Gonzalez-Granado JM. Pathophysiology of Inflammatory Bowel Disease: Innate Immune System. Int J Mol Sci. 2023;24(2):1526. 6. Chang JT. Pathophysiology of Inflammatory Bowel Diseases. N Engl J Med. 2020;383(27):2652–64. 7. Gustafsson JK, Johansson MEV. The role of goblet cells and mucus in intestinal homeostasis. Nat Rev Gastroenterol Hepatol. 2022;19(12):785–803. 8. Kałużna A, Olczyk P, Komosińska-Vassev K. The Role of Innate and Adaptive Immune Cells in the Pathogenesis and Development of the Inflammatory Response in Ulcerative Colitis. J Clin Med. 2022;11(2):400. 9. Berre CL, Honap S, Peyrin-Biroulet L. Ulcerative colitis.  Lancet. 2023;402(10401):571–84.

    36 min

About

Harm Geers is apotheker en bespreekt wekelijks allerlei zaken over geneesmiddelen.

You Might Also Like