Geruis Uit De Kluis

Pater Hugo

Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie). www.paterhugo.nl

  1. Vasten? Waarom in vredesnaam?

    2D AGO

    Vasten? Waarom in vredesnaam?

    Wat heeft vasten nou voor nut? Ik heb het even over geestelijk nut, niet over afvallen of cholesterolverlaging of zo. Wat moet je met dat vasten? Juist in geestelijk opzicht? Want bijna alle religieuze tradities komen ermee, maar als je er echt over nadenkt slaat het eigenlijk nergens op. Veel mensen zien vasten als een vorm van boete doen. Dat is ook heel klassiek Bijbels. Het meest beroemd is het voorbeeld van de profeet Jona (inderdaad, die van die walvis). Die moet van God naar de enorme stad Ninevé om luidkeels te verkondigen dat alles en iedereen daar zal worden vernietigd als straf voor de zonde en de ongerechtigheid. De koning van Ninevé luistert zowaar naar Jona en bekeert zich met heel zijn volk. En hij toont dat door te vasten. Hij scheurt zijn kleren en verordonneert dat niemand nog wat mag eten of drinken, tot en met de dieren. En God is daar duidelijk van onder de indruk, want Hij trekt zijn straffen in en laat de Ninevieten in leven. Wij kennen deze historie te goed om er nog erg diep over na te denken, laat staan ons erover te verbazen, maar is het in feite geen krankzinnig primitief verhaaltje? Want wat heeft God aan de rammelende magen van de bewoners van Ninevé? Voedt Hij zich soms met wat zíj zich uit de mond sparen? Ik dacht het niet. Warmt Hij zich aan de liefde en de eerbied die zij Hem betonen? Nee, want ze houden niet van Hem, ze zijn alleen maar bang voor Hem. Geniet zijn sadistische kant dan van hun vernedering? Kietelt het Hem, dat zij uit angst voor zijn straffen door de knieën gaan? Ik hoop het niet! Wordt het onrecht dat zij hadden begaan dan soms goed gemaakt door hun vasten? Misschien als zij uitdelen wat zij door hun vasten hebben bespaard, maar daarvan wordt nergens in het boek met ook maar een woord gerept. Eigenlijk komen noch de Ninevieten, noch God zelf erg sympathiek uit de verf in het boek Jona. God is een autoritaire verschrikking en Ninevé een stad vol huichelaars zonder ruggengraat. Elders in het Oude Testament wordt dat beeld wel wat gecorrigeerd. Daar klaagt God het onoprechte vasten aan. ‘Jullie vasten terwijl je nog steeds anderen uitzuigt en bedreigt,’ laat Hij de profeet Jesaja verkondigen. Dat is niet het vasten dat Hij wil zien. Wat Hij in plaats daarvan wil is: ‘boeien van onrecht losmaken, verdrukten vrijlaten, hongerigen brood geven.’ Inderdaad nobele dingen, maar niet wat wij van oudsher met vasten associëren. “Keert tot mij terug met heel uw hart, met vasten, geween en rouwklacht,” lezen we dan weer bij de profeet Joël. Daar draait het erom je om te draaien, met andere woorden. Je stond met je rug naar God, van Hem af. Nu keer je je weer om, naar Hem toe, en stel je je weer open voor Hem. Dat is zinnig en prachtig, natuurlijk. Maar waarom wil Hij daarbij toch ook weer dat vasten? Ik kan me toch ook naar Hem toewenden, mij door Hem laten beschijnen en verwarmen en mij ondertussen gewoon lekker volstoppen met pudding en worstenbroodjes? Of is het soms zo dat alles wat het leven aangenaam maakt of zelfs maar verzacht ons van God verwijdert? Hem beledigt? In verbazend veel religieuze tradities lijkt er zoiets aan de hand te zijn. Misschien wel omdat in de schepping ingebakken zit dat hoe lekkerder iets is, hoe gevaarlijker voor je levensgeluk. Boter, zout en suiker, alcohol en tabak, en zo kan ik nog wel even verder gaan. Allemaal dingen waar we geen genoeg van kunnen krijgen, maar die ons lichaam slopen als we ons er ongeremd aan overgeven. De vluchtigheid van losgebroken seksualiteit die zoveel van ons parten speelt in het leven. Eer, roem en prestige, die je alles van waarde in je leven ondersteboven kunnen laten lopen als je er al te verbeten naar op zoek bent. En mocht je ze te pakken krijgen, dan verliezen ze op datzelfde moment hun fascinerende aantrekkingskracht. Het enige esthetische geluk dat gratis is, is de schoonheid zelf. Dat ene moment dat de zon de rozengeur uit de appelbloesems kietelt. Of dat de hemel aan het kantklossen is geslagen met windveren en vliegtuigsporen. Tot je beseft dat dat alles je met je hoofd in de wolken laat lopen. Laat verdwalen in vage wensdromen die nooit ook maar iets van vervulling zullen krijgen. Zelfs het terugvinden van de heerlijke momenten die je al hebt beleefd is onmogelijker dan een fietstochtje naar Uranus. Zo veranderen ook die vanzelf weer van zegeningen in straffen. Is alle schoonheid en troost op deze wereld vals? Waarom heeft de goede God er dan zo zijn best op gedaan? Of was dat ook alweer gewoon om ons te verleiden en te vernederen? Ons een worst voor te houden en ons dan een mep te verkopen zodra we zouden toehappen? Wat moeten wij met vasten? Lijden zelfs de gelukkigsten onder ons niet al genoeg aan het leven om er dan ook nog weer lijden aan toe te moeten voegen? Pluk de dag, zeg ik! Vreet de tijd die je gegeven is. Pers elk uurtje uit en zuig elke seconde helemaal leeg totdat je elk sprankje warmte en vreugde door je wezen voelt klotsen. Alleen is dat in de praktijk nou juist een feilloos recept voor een wel héél onbevredigend leven. Als je je bestaan echt gróndig wil verknallen is dát de methode. Eigenlijk werkt het alleen als je het per ongeluk doet. Als je van jezelf al zo ruimhartig en onbekrompen in elkaar steekt dat je het geluk niet alleen aantrekt maar ook zonder er bij na te denken om je heen strooit. We hebben een paar heiligen op de kalender staan die zo in elkaar zaten. Ze nadoen gaat niet. Dingen expres per ongeluk doen is nou eenmaal buitengewoon ingewikkeld. In de praktijk zul je met deze tactiek waarschijnlijk veranderen in het diametrale tegendeel van zo iemand. Een lopend vacuüm dat alle vreugde om zich heen wegzuigt zonder er zelf ook maar een sprankje van te voelen. Toch denk ik niet dat de goede God ons de schoonheid en het genot als valkuilen heeft geschapen. Er is maar één bevredigend antwoord op dit rare mysterie: de schepping is kapot en doet niet meer wat ze hoort te doen, in ieder geval niet meer helemaal. En dat is ook precies wat onze traditie ons leert. De mensen in het heerlijke paradijs die ondankbaar waren zijn natuurlijk niet onze voorouders uit de tijd voor alle tijden. Wij zijn dat gewoon zelf. In die zin is er niks geërfds aan de erfzonde. Wij zijn niet het bokje omdat onze meest achterende en vooral ook achterlijke achter-opa niet met zijn poten van het fruit van de baas af kon blijven. Nee. Wij boeten voor ons eigen plukken in plaats van ons laten voeren. Voor het zelf willen doen en zelf willen weten. Maar wij zien niet wat wij denken te zien, weten niet wat wij denken te weten en verlangen niet wat wij denken te verlangen. En zo trekt in alles wat wij willen grijpen en begrijpen onmiddellijk een barst. Vasten is een stap terug doen. Om weer te leren wat ik wil in plaats van waar ik zin in heb. Om te leren respecteren, het oordeel op te schorten, te laten bloeien in plaats van te consumeren. Belangeloos te bewonderen en dankbaar te zijn. En natuurlijk begint dat ermee dat je je lichaam, dat verwend is, weer onder controle probeert te krijgen. En natuurlijk wordt dat een komedie zonder einde, want je laat je er al je hele leven door koeioneren. Dat verander je niet met een wils-act op één vroom momentje. En dan je verslaving aan overal een mening over te hebben en die ook te spuien. Je verslaving aan je opgeblazen zelfbeeld of juist aan je masochistische zelfvertrapping. Je behoefte aan bevestiging en de manier waarop je geniet als je iemand lik op stuk geeft. Je zwelgen in de drama’s van je tragische bestaan en je surfen op de schuimkoppen van je succesjes. Heel dat gezeur brengt uiteindelijk niks maar is ook verdomd moeilijk gewoon even dóód te slaan. Maar het tóch proberen, ook al is het maar zes schamele weekjes per jaar, toont je je hulpeloosheid. Je kleinheid. De toevalligheid van je bestaan. Het simpele feit dat je niet beter bent dan wie dan ook maar. De wonderlijke niksigheid van wat je vermag tegen wat je haat. En erger: de niksigheid van wat je vermag vóór wie je liefhebt. Alle verdoving even het zwijgen opleggen, dat is waar vasten over gaat. Ook omploegen en overhoophalen wat je liever ongezien laat rusten is waar vasten over gaat. En zo je rouwe bewustzijn even laten zijn wie ze is, en haar ook echt even herkennen en erkennen. Onbedekt, onbedwelmd. Haar hart is een tuin omgrensd met vier stromen: Pison, Gichon, Eufraat en Tigris. Midden in haar groeit een boom waaraan een vrucht hangt die precies laat zien wat er mis is met de schepping. Hij hangt niet aan een steeltje, maar is door een onvoorstelbare sadist met ijzeren nagels aan de boom gespijkerd. Hij is tot pulp geslagen en uitgeperst, doorstoken en met doornen gekroond. Over niet al te lange tijd is Hij rijp en valt Hij op de grond. Als die grond hard en droog is gebeurt er verder niks. Maar als Hij in nederige, goed geploegde aarde valt schiet Hij op en breekt in bloemen uit en wordt een boom waarin de vogels nestelen en maakt alles nieuw. Welnu: dat ploegen van die aarde noemen wij vasten. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

    13 min
  2. Klets ik uit mijn nek?

    FEB 14

    Klets ik uit mijn nek?

    Ben ik, met al mijn geleuter over de ziel en God, eigenlijk geen ordinaire flessentrekker? Hoe kan je eigenlijk weten dat ook maar iets van wat ik zeg ook maar enige basis in de werkelijkheid heeft? Is er eigenlijk wel enig verschil tussen een baardige kluizenaar op een stapel middeleeuwse geschriften en een madam op de kermis met een kristallen bol? Ik ben hier het laatste half jaar of zo een lekker potje aan het orakelen. Meestal ging het over mystieke theologie, over de directe ervaring van het Heilige door jouw eigen ziel. Maar hoe kom ik eigenlijk aan al die wijsheid? Want nogal eens zit ik met een air van zekerheid dingen te verkondigen die geen mens kan meten of bewijzen. Ik krijg dan ook best vaak opmerkingen in de trant van: ‘waar haal je het vandaan? Waar baseer je je op? Is dat geen mysterie waar je maar beter je mond over dicht kan houden?’ En, het verbaast je misschien, maar dat vind ik heel terechte vragen. Hoeveel bodem, hoeveel fundament zit er nou onder dit hele vakgebied? Waar drijven al die metafysische speculaties op, de boude beweringen over wie en wat de Grond onder de werkelijkheid is, hoe de ziel in elkaar steekt, en waar zij voor bedoeld is en waarvoor niet? Het klinkt allemaal rationeel en doordacht genoeg, maar presenteer ik hier niet stiekem een zwerm van rekensommetjes die geen serieus beginpunt hebben? Waarvan de premissen maar zo’n beetje uit een sprookjesboek zijn getrokken? Als jij een van die mensen bent die alleen het fysiek meetbare serieus kunt nemen, dan houdt het inderdaad al gelijk daar op. ‘Het beste, hè, daag!’ Maar al kan ik geen harde zekerheid geven, een redelijk stevige waarschijnlijkheid is wel mogelijk. Al moet je ook daarvoor wel even dóórzetten. In eerste instantie lijkt de hele zaak hopeloos. Als de mist uiteindelijk optrekt komt dat, tegen die tijd, eigenlijk héél onverwacht. Alles wat ik hier zit te verkondigen is gebaseerd op ervaringen van mensen met wie of wat zij als God meenden te herkennen. Daar wordt de zaak al gelijk niet eenvoudiger op. Het zijn per definitie subjectieve ervaringen, gevangen in herinneringen. En de menselijke herinnering is een heel bedrieglijk vermogen. Het laat dingen weg en voegt dingen toe. Het schuift met accenten alsof het schaakstukken zijn, het verschiet en verkleurt. Dat is een probleem. En niet het enige, ook. Want ik kan die ervaringen ook nog eens niet rechtstreeks bestuderen. Ik beschik niet over een bibliotheek van glazen flessen vol herinneringen die ik zou kunnen opsnuiven of in een schaaltje gieten om eens goed te bekijken, zoals in een Harry-Potterboek. In plaats daarvan ben ik afhankelijk van wat mensen hebben verteld en opgeschreven. Van wat voor woorden ze bij elkaar hebben kunnen puzzelen om hun verschoten en verbleekte belevenissen enigszins aan mij te kunnen overdragen. Vaak gaat het dan ook nog eens om woorden die al lang niet meer worden gebruikt uit een belevingswereld die al lang niet meer bestaat. Zo houd ik mij zelf voornamelijk bezig met teksten uit het Brabant van de middeleeuwen. In het Brabants van de middeleeuwen. Dus van mensen uit een streek die de mijne niet is in een wereld die de mijne niet is die praten over dingen die sowieso al geen mens goed kan bevatten, laat staan reproduceren en verwoorden. En zegt het feit dat we ons maar steeds op die oude teksten blijven storten niet al duidelijk genoeg dat er iets geks aan de hand is? Zijn er geen modernere belevenissen om je bij deze studie op te baseren? Bij ander onderzoek over psychologische verschijnselen baseren we ons toch ook niet op een dataset uit de veertiende eeuw? Goed, dat zijn voor deze insteek wel even voldoende vragen. Ik zal ze in omgekeerde volgorde proberen te beantwoorden. We gebruiken oude getuigenissen van mystieke ervaringen omdat er zich in de late middeleeuwen een hoogtepunt van geletterdheid op dit terrein voordeed. Godservaringen zijn er overal en altijd, tot en met bij mensen die niet eens in God geloven. Maar het vermogen om zó over het onuitsprekelijke te kunnen spreken dat een ander er ook iets van kan verstaan is veel zeldzamer. Om zoiets te ontwikkelen is niet alleen een intens geestelijk leven nodig, maar ook een verfijnd technisch begrippenapparaat en zoiets als een traditie van poëtische fijngevoeligheid. Het virtuoos kunnen dansen met symbolen en metaforen. Dat bereikt geen mens op eigen kracht, zoals het domme moderne romantische idee van ‘het genie’ het altijd wil hebben. Wij hebben helaas geleerd om hoogst individuele schittering het meest te bewonderen. In de middeleeuwen hadden ze daar een broertje dood aan. Daar bouwden ze aan kathedralen in plaats van aan persoonlijke reputaties. Zo’n kathedraal kan alleen tot rijping komen als individuele mensen zich generaties lang dienstbaar kunnen maken aan een project dat groter is dan henzelf, en dat ze zelfs bij leven niet eens áf zullen zien. Uit idealisme in plaats van uit persoonlijke ambitie. Zo is het ook precies met de taal van de Godservaring. Mensen konden er in die tijd tevreden mee zijn om generatie op generatie steeds maar door te blijven schaven aan een traditie, aan een school, aan iets dat groter was dan zij zelf. Daardoor ontstonden er ‘kathedralen van taal’ die tegenwoordig nooit meer rijp zouden zijn geworden. Een van de meest gelukte van die taalkathedralen is de Zuid-Nederlandse mystiek van tussen de twaalfde en de zestiende eeuw. Die kon groeien omdat er duidelijk ruimte voor was, we begrijpen niet helemaal goed waarom nou net daar. In het beginstadium ontkiemde deze vorm van mystiek vooral bij devote vrouwen, zowel bij zusters als bij een soort vrijgevochten godgewijde maagden, de begijnen. In de veertiende eeuw werd zij briljant gesystematiseerd door Jan van Ruusbroec. Als hij niet in het Nederlands, maar in het Latijn zou hebben geschreven zou hij nu bekend hebben gestaan als de Thomas van Aquino van de mystiek, waarschijnlijk. Als degene met alle antwoorden op alle dingen. Misschien toch maar goed dat hij in het Nederlands heeft geschreven, en niet in het Latijn. Hoe dan ook hebben we zijn taal en zijn begrippenapparaat ook nu nog hard nodig. Want wat er na hem kwam was in eerste instantie voor een groot deel op hem gebaseerd, zoals wat er in Frankrijk en Spanje in de barok ontstond. Maar wel duidelijk van mindere kwaliteit. Veel pretentieuzer, warriger en ingewikkelder, en ook vaker afgeleid door sensationele bijverschijnselen. Daarna kwam de achttiende eeuw, waarin mensen sowieso meer bezig waren met meten dan met verstaan. In de negentiende eeuw kwam daar weer een reactie op, maar die verloor zich in wat ik daarnet als even heb aangestipt: de aanbidding van het individuele, hoogstpersoonlijke, uiterst bijzondere. Dat heeft kostbare schatten opgeleverd, maar weinig wat je kunt toepassen op wat normale, alledaagse christenen in hun innerlijk van Gods aanwezigheid ervaren. Daarom blijft van alle brillen die mij gegeven zijn de veertiende-eeuwse nog steeds het scherpste beeld geven. Maar klopt er ook maar iets van dat beeld? Want daar ging het nou net over. Zoals ik al zei: een hard bewijs in de moderne zin ga je niet krijgen, maar er is wel iets dat mij persoonlijk er alle vertrouwen in geeft. En dat is de enorme berg overeenkomsten tussen dit soort ervaringen en de teksten daarover uit de meest uiteenlopende momenten en culturen. Soms tot op de meest verfijnde details. Het ligt niet voor de hand dat de Indiase mysticus Adi Shankara uit de achtste eeuw veel Augustinus had gelezen. Toch komt hij met begrippen die naadloos passen op hoe Augustinus de structuur van de ziel voor zich zag. Ik beweer niet dat hun ideeën hetzelfde waren - dat zou kinderachtig zijn. Ze opereerden zelfs met totaal verschillende wereldbeelden in het achterhoofd. Shankara met het idee dat alles één is en alle verschillen maar illusies zijn. Dat het leven een cyclus is die zich eindeloos herhaalt. Augustinus met het idee dat afzonderlijke dingen - en vooral personen - er maar al te zeer toe doen en ook een bestemming hebben. Maar op micro-niveau passen de onderdelen die ze onderscheiden in de werkelijkheid en vooral in de menselijke ziel, vrijwel naadloos in elkaars systeem. Als er een schroefje of een lagertje in Shankara’s brommer kapot gaat kan hij er zonder problemen een reserve-exemplaar van Augustinus inschroeven. Dat komt omdat ze beiden niet zomaar speculatief zaten te fantaseren, maar zich baseerden op het heel intens beleven en observeren van hun eigen innerlijk. En wat God daar allemaal in uitspookte. En zo gaat het steeds. De meeste geestelijke tradities van de mensheid hebben twee gezichten. Een aspect dat we ‘mythologisch’ of ‘dogmatisch’ of ‘systematisch’ noemen. Dat is een in symbolen gevatte vertelling over hoe de wereld en God of de goden zijn, hoe ze zo geworden zijn en hoe ze ooit eens zullen zijn. En hoe de mensen daar in passen. Dat geheel noemen we ook wel ‘exoterisch,’ vrij vertaald ‘buitenkanterig.’ Voor iedereen onmiddellijk zichtbaar. Niet alle, maar wel veel religieuze culturen hebben daarnaast ook een gezicht dat we van oudsher ‘esoterisch’ noemen, zeg maar ‘binnenkanterig,’ ‘innerlijk.’ Daarmee bedoelen we dat een deel van de aanhangers van die traditie zich bezig houden met het observeren en verwoorden en delen van hun meest directe godsontmoetingen. Het woord ‘esoterisch’ heeft bij ons een heel rare bijklank gekregen omdat het sinds de jaren zestig vooral wordt geassocieerd met de meer fantastische randjes van de traditie. De ‘stoute,’ ‘verboden’ randjes vooral. Heksen en waarzeggerij en wichelroedelopen en zo. Daarom gebruik ik zelf liever ‘mystiek’ of ‘contemplatief.’ Dat zijn beide min of meer synoniemen. Hoe dan ook is dat het deel van de religieuze kennis dat rechtstreeks op ervaring, ontmoeting, beleving steunt. En dus ook alle grenzen tussen religieuze systemen met voeten treedt. De eenvoudigste verklaring daarvoor is dat mystici met vergelijkb

    15 min
  3. De Hygiëne van het Heilige

    FEB 7

    De Hygiëne van het Heilige

    Hoe koester je God? Stel je voor: een archeoloog zoekt al jaren in de Pyreneeën naar een geheimzinnig heiligdom waar de Heilige Graal verstopt zou moeten zijn: de kelk die Jezus gebruikte bij het laatste Avondmaal. Al die tijd heeft hij niks gevonden, maar nu is er hoop in zijn hart. In de crypte van een vervallen kapel op een bergtop heeft hij een zware deksteen van rode zandsteen laten lichten. Die bleek een schacht met een wenteltrap te verbergen. De archeoloog daalt langs die trap af naar de geheimzinnige diepten. Hij komt uit in een doolhof van flamboyante gotische galerijen, bont beschilderd met taferelen uit de graallegenden over koning Arthur en de koene ridders Galahad en Parcival. Die worden flakkerend verlicht door brandende toortsen aan de muren. Woont hier iemand die die toortsen aan heeft gestoken? Hij ziet geen mens. Hij huivert. Behoedzaam dringt hij steeds verder en verder binnen in dit wonderlijke oord. Uiteindelijk vindt hij een enorme poort van zilver, vol nissen met heiligen met gouden stralenkransen. Hij duwt er tegenaan. Ze moeten wel loodzwaar zijn, maar toch draaien ze geruisloos open, met een zucht, als van een kluisdeur. Voor hem strekt zich het heilige der heiligen uit, met gewelven zo hoog dat ze boven zijn hoofd in een lazuurblauwe schemering lijken te verdwijnen. In de verte ziet hij een altaar met een schrijn in de vorm van een toren, waar een zacht licht uit straalt. Met knikkende knieën loopt hij verder. En ziet dan dit... (intro) Religie is er om een ruimte aan te bieden waarin mensen tot de ontmoeting met God kunnen komen, en ín God met elkaar. Dat doet religie door op heilige plaatsen op heilige momenten heilige handelingen te stellen. Voor zover we kunnen overzien is dit alles een merkwaardig, maar noodzakelijk element van een gezonde samenleving. Niet alleen is het verschijnsel religie zo goed als universeel maar ook worden er vrijwel consequent veel geld, middelen, gebouwen en mensen in geïnvesteerd. Onze postmoderne, westerse samenleving is de enige echte uitzondering, maar daarover later meer. Het resultaat van al die moeite manifesteert zich in de vorm van momenten in het mensenleven dat alles wat seculier is, al het tijdelijke, met andere woorden, heel de strijd om het bestaan, de dagelijkse dingen, de zorgen en problemen, de begeerten en ambities, conflicten en verwijten, even tot zwijgen komen. Nou vinden mensen het heel moeilijk die dingen los te laten, al is het maar voor een ogenblik. Om dat mogelijk te maken is alleen de meest oprechte ernst afdoende. We zoeken daar immers de Absolute, de grond onder de werkelijkheid zelf. Nou wil de ironie dat juist het meest ontzagwekkende ook het meest kwetsbare is. Het fluistert in plaats van te schreeuwen, het uit zich als het suizen van een zachte bries. Het is, met andere woorden, alleen waarneembaar en verstaanbaar als meer lawaaierige elementen worden geweerd. Ik bedoel dat niet alleen letterlijk, in de vorm van geluid, maar ook visueel, sociaal, psychologisch en dan vergeet ik vast ook nog wel een paar aspecten meer. Al die dingen kunnen, als ze op het verkeerde moment of in de verkeerde combinatie het heiligdom binnengebracht worden, de sacrale spanning breken die het religieuze ritueel zijn geloofwaardigheid geeft. Daar is maar heel weinig voor nodig en de gevolgen zijn onmiddellijk dodelijk. Als het verkeerd gaat kan iedereen eigenlijk wel gewoon naar huis. Sterker nog: het is maar beter dat iedereen dat dan ook doet, want bedorven religie is een bijzonder giftige substantie voor de ziel. Het bederf van het beste geeft het allerslechtste, zei de heilige Augustinus al in de vierde eeuw of zo. Vergelijk het maar met een restaurantkeuken vol ratten, schimmel en kotsende koks. Sacrale hygiëne is wat ons tegenwoordig nogal eens ontbreekt. Het onvermogen om het profane te scheiden van het heilige. En dat terwijl het niet zo heel moeilijk is zodra je weet waar het probleem zit. Het enige wat nodig is, is onbeschaamde eerbied. Je niet schamen het heilige te eerbiedigen. Durven te knielen, durven ontzag te hebben. Zonder ironie. Naakt voor God te staan en dat uit te houden. De meest uiterste Realiteit te herkennen en te erkennen. En die - in het heiligdom - op geen enkele manier te relativeren. Als iets in strijd voelt met de wijding van die plaats is het waarschijnlijk ook in strijd met de wijding van die plaats. Vaak is het verschil tussen de twee categorieën sterk cultureel bepaald. Bij ons in het westen wordt het heilige bij uitstek geassocieerd met het oude, het verstilde, het trage en het natuurlijke. Dat is voor sommige postmoderne dramkousen een reden om er juist de hele tijd met platvoeten doorheen te willen banjeren. Maar dit soort associaties veranderen maar heel traag, en hebben met inclusiviteit of uitsluiting niks te maken. Als je ze niet respecteert heeft de Kerk geen enkele zin meer. De heilige zal er zich objectief nog wel manifesteren, maar op een manier die niet subjectief te ervaren is door de mensen voor wie het bedoeld is. Nou verwachten jullie natuurlijk van mij een vurig pleidooi voor een zo snel mogelijke terugkeer naar de traditionele Latijnse Mis. En het klopt wel dat ik iets in die richting uiteindelijk verstandig zou vinden. Maar wat ik vind doet er niet zoveel toe. De meesten van ons mogen dat helemaal niet, kunnen dat ook niet en er zijn er ook nog best veel die het ook niet zouden willen, vooral de oudjes niet. En oudjes hebben ook een ziel. Prima. Maar werk er dan omheen. Want zoals het de afgelopen zestig jaar is gegaan kan het echt niet langer. Dat is mensen hun broodnodige religieuze behoeften onthouden. Als jij verantwoordelijk bent voor de liturgie is je enige taak de mensen met God te laten communiceren, in alle betekenissen van dat woord. Zorg dan dat je leidingen niet verstopt zitten met braggel die nergens voor nodig is en je bestaan tot dat van een loodgieter zonder waterpomptang degradeert. En wat is die braggel dan zoal? Lach me maar uit, maar ik gebruik daarvoor de Indiana Jonestest. Het is om je rot te schamen dat Steven Spielberg duidelijk beter weet hoe je het heilige kan laten beklijven dan veel priesters, maar daar kan ik ook niks aan doen. Dus: stel je voor: Indiana Jones heeft in een grottenstelsel achter een waterval een exotisch heiligdom ontdekt. Daar ergens zou het astrale amulet van troeliepoelie moeten rusten op een met geheimzinnigheid omringd altaar. Welnu: alles wat in die film bij de bioscoopgangers het opschorten van het ongeloof zou kunnen verstoren heeft ook geen plaats in de kerk. De naam Troeliepoelie is dus alvast niet goed. Net als go-zondag, startzondag, Night-Fever en ga zo maar verder. Ook is de muziek van doorslaggevend belang. Als er naast de omineuze talisman twee afgodische priesters met kettingen van schedels zitten die uit volle borst oubollige liedjes met onoprechte teksten zitten te kwelen met een gitaar wordt de film geen kaskraker. Als het grootste deel van de ceremonie uit praten en voorlezen en dan nog meer praten bestaat komt het niet goed. Zo ook als de orakels van Oetsiepoetsie voor het altaar van Troeliepoelie worden voorgelezen door een vrijwilligster in een roze legging die niet weet waar de klemtonen horen te liggen en bovendien alle onheilsdreigingen van een lieflijke kleuterjuffrouwencadans voorziet. Als er een vlag naast het altaar staat die oproept tot donaties en die ook nog eens een zo zakelijk mogelijk ontwerp heeft flopt het hele spul ongenadig. Natuurlijk is het hartstikke belangrijk dat de mensen solidair zijn met hun heiligdommen. Natuurlijk moeten die afgodische priesters eten en af en toe een nieuwe schedelketting. Ook is het fijn als de grot wordt schoongemaakt en, als het moet, wordt gestut zodat hij niet boven het hoofd van de afgodische priesters in elkaar stort. Maar dan nog: die vlag hoort niet in het heiligdom, maar in het bezoekerscentrum aan het begin van het pad dat naar de grot leidt. Hetzelfde geldt voor kindertekeningen en tentoonstellingen over de sokkenbrei-acties voor de bevroren tenen in Fins-Lapland. Als er te zien is dat een schoonmaker fluitend vlak voor het altaar van Troeliepoelie langsloopt en onder het stofzuigen even zijn bril erop legt is het magische moment voorbij. Überhaupt is het respecteren van taboes belangrijk als het gaat om het heilige. ‘Doe je schoenen uit, want deze plaats is heilig,’ zij God tegen Mozes. Daarom helpt het als echt niemand op het priesterkoor is die daar niet persé moet zijn. En dan nog het liefst in liturgische kleding. En even voor de helderheid: dat alles oplossen hoeft niet duur of extreem ingewikkeld te zijn. Het is vaak eerder een kwestie van weglaten dan van toevoegen. Van opruimen dan van opdirken. Ik ben zelf toevallig van de barok en de overdaad, maar dat kost heel veel tijd en gedoe om precies goed te krijgen. Precies de andere kant op werkt ook. Tenzij je een plaats van volksdevotie beheert, zoals een plaatselijk bedevaartsoord of zo, maar dat is een vak apart dat we hier nu maar even zullen laten voor wat het is. Het toverwoord is hygiëne. Het heilige is een eigen categorie die geen vermenging met andere verdraagt, anders gaat het onmiddellijk bescheiden aan de kant en wordt onzichtbaar. Dus: roept iets de sfeer op van zakelijkheid, politiek, huiselijke gezelligheid of therapeutische afstandelijkheid? Dan moet het uit de buurt van het altaar gehouden worden. Is iets ontworpen alsof het met commercie te maken heeft, dus roep het associaties op met het bedrijfsleven? Nee! Berucht was op een gegeven moment het nieuwe schepje waarmee je in Houthem zand uit het graf van de heilige Gerlachus kunt scheppen. Dat was, waarschijnlijk door een reclamebureau, zo gelikt herontworpen dat het de gewijde sfeer in de war stuurde. Soms kun je het ook juist uit liefde te goed je best doen. Roept iets de basisschool of de tennisclub in herinnering? Nee! Allemaal prima dingen, maar niet hier en nu. Heeft het de sfeer van entertainment over zich? Nee! Een mens

    14 min
  4. Wat doen religieuze rituelen?

    JAN 31

    Wat doen religieuze rituelen?

    Het gebeurt op een dag, dat Jezus in Bethanië is, in het huis van Simon de melaatse. Er verschijnt een vrouw met een albasten flesje pure nardusbalsem dat driehonderd denarieën waard is - zeg maar dertigduizend euro naar de huidige maatstaven. Ze breekt dat flesje open en giet het uit over Jezus’ hoofd. De leerlingen worden woedend. Hoeveel armen hadden met dat geld wel niet geholpen kunnen worden? Maar Jezus reageert onverwacht. Hij zegt: zij heeft een goed werk aan mij gedaan. De armen hebben jullie immers altijd bij jullie, maar mij hebben jullie niet altijd bij jullie. Een idioot verhaal en een vervelende man, die Jezus, zijn wij geneigd te denken. Hij doet hier haast wat denken aan een van die sekteleiders die zich wentelen in luxe en de idolate verering van hun slachtoffers. Maar als wij zo denken zou dat wel eens kunnen komen omdat wij zelf vervreemd zijn van een essentieel onderdeel van ons menszijn. In de vorige twee afleveringen hebben wij nagedacht over wat godsdienst eigenlijk is, en de conclusie getrokken dat een religie waarschijnlijk in essentie samenvalt met haar rituele doen en laten. Maar wat is nou eigenlijk het concrete effect van die rare handelingen? Is het pure verspilling van middelen en zelfs mensen, of doet het wel degelijk iets? Wat krijgen wij terug voor de kostbare nardusbalsem die wij uitgieten over het hoofd van God? Daarover gaat het vandaag. (intro) Het is mijn persoonlijke overtuiging dat menselijke samenlevingen altijd gefundeerd zijn op een dragende godsdienst, en de essentie van die godsdienst is het ritueel. Als het ritueel niet meer gerespecteerd wordt of zelfs helemaal stilvalt vervliegen ook de leerstellingen en de normen en waarden van de religie en daarmee van de hele maatschappij die op die religie was gebaseerd. Die begint vanaf dat moment dan ook uit elkaar te vallen. Ik denk er al heel lang zo over, en word ook mijn hele leven al steeds weer in die overtuiging bevestigd door wat ik om mij heen zie gebeuren. Wij kennen de symptomen ervan allemaal, want wij leven er elke dag mee. Ik heb het over al deze dingen trouwens ook al uitgebreid gehad in de vorige twee afleveringen van deze serie. Mocht je die nog willen bekijken, dan staan er links in de beschrijving hieronder. Maar toch, wat doen religieuze rituelen nou eigenlijk concreet? Het doopsel mag dan een wassing zijn: als anti-bacteriële maatregel stelt het niet veel voor. Het heilig Misoffer mag dan wel een maaltijd zijn, maar je dagelijkse portie calorieën zal je er niet uit kunnen halen. Met andere woorden: alles wat je materieel van een religie kunt zien en vastpakken is schijnbaar ondoelmatige verspilling. Verloren moeite en tijd. Van de dure gebouwen, de offers en de geïnvesteerde tijd is er weinig tot geen tastbaar rendement te verwachten. Toch speelt het hele gedoe op de een of andere manier een cruciale rol bij het instandhouden van samenlevingen, maar hoe? Wat is nou eigenlijk puur technisch het gevolg van een ritueel? Wat doet het? We hebben al gezien dat culturele antropologen en godsdienstsociologen of hoe dat volkje zich op een zeker moment ook maar mag noemen de grootste moeite heeft met definiëren van wat religie eigenlijk is. Met het interpreteren van religieuze rituelen loopt het nog veel verder uit de hand. Dat komt omdat de academische godsdienstwetenschappen allesbehalve waardenvrij zijn ontstaan en opgebouwd. Het voert een beetje te ver om de hele geschiedenis hier uit de doeken te doen. Mocht je willen weten hoe die wereld tikt, dan kan ik je van harte aanbevelen het werkje ‘Denken over religie’ van Valeer Neckebrouck eens door te nemen. Dat is heel toegankelijk geschreven en leest eigenlijk als een thriller. In grote lijnen zou je kunnen zeggen dat er een touwtrekwedstrijd is geweest tussen twee soorten godsdienstonderzoekers. Aan de ene kant stonden geleerden die stiekem romantici waren. Zij droomden over oerreligies en archetypen en moedergodinnen en zo. Zij waren ook geneigd aan religie een grote zelfstandige waarde toe te kennen. Aan de andere kant stonden geleerden die stiekem politici waren en meer droomden over het betrappen en uiteindelijk slopen van machtsstructuren. Zij zagen religie bovendien meestal louter functioneel, als een sociaal instrument. Bijna niemand in dit hele proces had trouwens veel achting voor het moderne Europese christendom, en dat werd er niet beter op toen marxistisch-achtige ideeën een steeds grotere rol in álle menswetenschappen gingen spelen. Als je dus in het nieuws of zo hoort over zogenaamd ‘wetenschappelijk onderzoeken’ naar religie, bijvoorbeeld naar het secularisatieproces, dan weet je dat je niet zit te kijken naar de droge observaties van feiten. Er is in de wereld van de sociologie eigenlijk geen serieuze academische distantie, al het gescherm met statistiek en kwantitatief onderzoek ten spijt. Ook die kleuren zich immers makkelijk aan de hand van de smaak van de onderzoeker door de precieze vragen die hij stelt of juist angstvallig vermijdt. Goed, laten we evengoed de conclusies van de beroemdste van die figuren maar even snel de revue laten passeren, zodat we een idee krijgen van de sfeer. Ze lijken in eerste instantie interessanter dan ze in feite zijn, dus we doen dit even zak zak allez-hoppe. We beginnen natuurlijk in de negentiende eeuw. Toen zagen figuren als Tylor, Frazer en Malinowski, allemaal vroege antropologen, religieuze rituelen nog voornamelijk als futiele pogingen van het magische denken om de natuurkrachten te beïnvloeden. Beheersing te krijgen over de onbeheersbare bedreigingen van het leven. Een beetje zoals moderne huiskameratheïstische verjaardagsfeestjesorakels er tegenaan kijken. Iets later, in de eerste helft van de twintigste eeuw, verschijnen er antropologen als Arnold van Gennep en Victor Turner. Zij zien godsdienstige rituelen vooral als rites de passage, overgangsrituelen: door ceremoniële transformaties door te maken krijg jij als individu een andere positie in de gemeenschap. Daardoor ga jij je meer met het collectief identificeren en dat wint dan weer aan betekenis, hechtheid en stabiliteit. Verder ontsnappen we ook deze aflevering natuurlijk weer niet aan Émile Durkheim met zijn idee dat de religie - en dus ook het ritueel - een projectie van de samenleving zelf is. God is, volgens hem, de maatschappij die zichzelf viert en zich daardoor bevestigt en versterkt. Denk maar aan hooligans die ‘we are the champions’ zingen. Zoiets. Iemand die bekend staat als gematigd, maar stiekem waarschijnlijk de meest cynische grapjas van het hele stel is, is Clifford Geertz. Hij ziet de rituelen van een religie als niks anders dan de trukendoos die het wereldbeeld van die godsdienst zo écht laat lijken. Rituelen zijn volgens hem georkestreerde belevingen die een religieus systeem de illusie van tastbaarheid, zichtbaarheid en geloofwaardigheid moeten geven. Het lijkt er trouwens niet op dat Clifford Geertz ooit echt tot de beleving van een religieus ritueel is doorgedrongen, maar dat terzijde. Dan gaan we nog even naar Peter Berger. Dat is misschien dan weer de meest zinnige denker uit deze richting. Hij ziet religieus ritueel als een ordenend systeem dat de bestaande werkelijkheid - die van zichzelf chaotisch en betekenisloos is - zin en structuur moet geven. Bij Berger zet je je door rituelen te voltrekken in feite een bril op de neus die een soort duidend raster over de wereld legt. Die verandert daardoor wel niet objectief, maar wordt voor de mens wel veel beter te navigeren zonder in paniek te raken. Je merkt wel dat ik tot nu toe alleen denkers heb behandeld die religieuze rituelen reductionistisch functionalistisch interpreteren. Ze reduceren religie tot een instrument van de maatschappelijke orde, tot een onderdeel van de machtsstructuur in samenlevingen. Niemand van al deze figuren ziet religie als een zelfstandig aspect van het menselijke leven, laat staan als de geestelijke wortel ervan. Natuurlijk zijn er ook geleerden geweest die daar heel anders tegenaan keken. De eerste daarvan was, in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, Rudolf Otto. Hij definieerde ‘het heilige’ als een onuitsprekelijk fenomeen dat eigenlijk door elke mens weleens wordt ervaren. Het is tegelijk heel aantrekkelijk maar ook héél angstwekkend. Hij noemt het dan ook het ‘mysterium tremendum et fascinans,’ het vreeswekkende en fascinerende mysterie. De mens zoekt ernaar en verlangt ernaar, maar schrikt er tegelijk voor terug. Het wordt door de mens gekoesterd maar ook met taboes omgeven. Hij beschreef religieuze rituelen als het instrumentarium dat de mens ontwikkelt om met dat heilige om te gaan. Misschien nog wel zijn meest blijvende bijdrage aan het denken over religie is de uitvinding van het woord ‘numineus’ en ‘het numineuze.’ Dat betekent bijna hetzelfde als ‘het heilige,’ maar dan in de ruwere, oudere, minder opgepoetste variant, ontdaan van zijn ethische component. Verwant daaraan is het denken van de Nederlandse godsdiensthistoricus Gerardus van der Leeuw. Hij nam het idee van ‘het heilige’ in feite van Otto over, maar noemde het ‘de macht.’ Daarmee bedoelde hij niet een projectie van sociale of politieke macht, maar een reëel ervaren, overweldigende werkelijkheid die de mens treft, aanspreekt en voor zich opeist. Het uitvoeren van rituelen is bij hem een écht deelnemen aan die macht. Het offer is een échte overgave, het gebed een écht aanroepen en het stellen van sacrale handelingen stelt de Macht écht tegenwoordig. De twee schoolmakende academische denkers die het meeste respect hadden voor religieuze tradities waren waarschijnlijk wel Carl Gustav Jung en Mircea Eliade. Dat ging zo ver dat ze beiden, waarschijnlijk juist daardoor, wat in de berm van het wetenschappelijke onderzoek zijn beland. Het zijn bijna zelf meer religieuze dan wetenschappelijke denkers. Allereerst is daar de psycholoog Jung. Voor hem drukken rituelen innerlijke processen uit. Ze werken all

    26 min

About

Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie). www.paterhugo.nl

You Might Also Like