Geruis Uit De Kluis

Pater Hugo

Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie). www.paterhugo.nl

  1. Griezelen van Gods nabijheid?

    4d ago

    Griezelen van Gods nabijheid?

    Het tederste gebaar tussen mensen die van elkaar houden is misschien wel het elkaar voeren. De één houdt de ander iets voor de mond - een stukje fruit, een lepeltje ijs - en die ander opent zich. Dit is géén functionele transactie, maar een moment van uiterste kwetsbaarheid en overgave. Van volledig vertrouwen. Van helemaal opengaan voor elkaar. Je ziet dit dan ook - tenminste in een ideale, menselijke situatie - alleen gebeuren tussen mensen die werkelijk iets van elkaar zijn. Die van elkaar houden. Geen wonder dat dat ook meer dan duizend jaar lang de manier was waarop wij de Communie ontvingen. Wij knielden neer en staken onze handen onder een laken - wij maakten ons, met andere woorden, helemaal kwetsbaar, en openden onze mond. En God maakte zich nog kwetsbaarder dan wij al waren en legde zich - Brood geworden - daarin. Dat had Hij al honderden jaren voor Christus’ geboorte beloofd: ‘Doe je mond wijd open en Ik zal hem vullen,’ zingt Hij in de Psalm. Dat is logisch, want onze band met God is niet zakelijk, maar intiem, persoonlijk, vertrouwd en helemaal open. Hij is namelijk iets van ons, eigen. Hij is ons zelfs, zoals Augustinus het uitdrukte, ‘intiemer nabij dan wij onszelf nabij zijn.’ De Communie is geen afstandelijke liefdadigheid die God bewijst aan vreemden. Het is een hartstochtelijk liefhebben en bemind worden, wederzijds, met alle aspecten van beminnen die je tussen mensen ook ziet gebeuren. De Communie is dus ook gevaarlijk, zoals alle intieme relaties gevaarlijk zijn. Je geeft je in vertrouwen over op een manier die je strikt bewaart voor je familie en je geliefde. (Intro) Wie tegenwoordig in een katholieke kerk mensen de communie ziet ontvangen zou denken dat het ging om het uitdelen van medicijnen of zo, bij een uitbraak van iets. Men staat in de rij en steekt de handen uit. Een priester - of een willekeurige vrijwilliger die niet van de rest te onderscheiden is - reikt zakelijk de pilletjes uit en zegt erbij wat het precies is. Het is de kerk, maar het had ook de GGD kunnen zijn. Er is niks bijzonder kwetsbaars of persoonlijks aan, laat staan iets dat zou kunnen schokken. Het is ongevaarlijk en vooral ook onpersoonlijk. Toch gaat het hier om hetzelfde fenomeen dat door een van de grootste geleerden aller tijden als volgt beschreven wordt: Christus’ liefde is tegelijk hebberig en gul: Hij geeft ons alles wat hij heeft en alles wat hij is, maar hij neemt ook weer alles wat wij hebben en alles wat wij zijn. En hij eist meer van ons dan wij kunnen volbrengen. Zijn honger kent geen grenzen: hij verteert ons tot op onze bodem, want hij is een gulzige schrokker, echt zíek van de honger. Hij zuigt het merg uit onze beenderen... En wij: konden wij de begerige lust zien die Christus heeft om ons zalig te maken, dan zouden wij Hem uit onszelf in zijn mond willen springen. Ik weet best hoe bizar zulke liefdespraat klinkt, maar wie zelf bemint weet precies wat ik bedoel. De natuur van Jezus’ liefde is edel: waar zij verteert, daar wil zij voeden. Daar is helemaal niks ongevaarlijks of onpersoonlijks aan. Laten we even een stapje terugdoen om te kijken of we hier chocola van kunnen maken. Wanneer voeren mensen elkaar? Kleine kinderen worden gevoerd door hun ouders. Minnaars voeren elkaar. Hoogbejaarde ouders worden gevoerd door hun kinderen. In eerste en laatste instantie voer je elkaar als een van de twee nog niet, of niet meer zelfstandig kan eten. Degene die voert zegt daarmee: jij kan uit jezelf niet leven, daarom geef ik van mijn leven aan jou. Ik doe moeite en spaar mij eten uit de mond omdat ik wil dat je bestaat en leeft. Als je nog heel klein bent doe ik dat omdat ik wil dat je bestaat en blijft bestaan, omdat je uit mij geboren bent, omdat je het wonder van mijn leven bent. Elke dag dat je groeit, dat je meer jezelf wordt, dat je uit je knop komt bezorgt mij dat een diepe, innerlijke blijdschap. Door jou te voeren en de laten bloeien word ik zelf ook ten diepste wie ik ben: Vader of Moeder. Als je hoogbejaard bent voer ik je omdat ik je zo lang mogelijk bij me wil houden. Ik weet dat ik die strijd ga verliezen, maar ik doe het toch. Want ik ben dankbaar. Jij bent mijn vader of mijn moeder. Jij bent mijn oorsprong. Tussen die twee momenten in zit misschien wel het meest bizarre moment van voeren en je laten voeren. Want dan kan je heel goed zelf eten. Je bent volwassen, of ruimschoots volwassen zelfs, er mankeert je niks aan je armen of benen. En toch geef je je over en laat je je voeren. Door iemand op wie je verliefd bent. Zo verliefd dat je jezelf ervoor zou willen opgeven. Dat je je helemaal in die ander zou willen verbergen en investeren. Dat je uit die ander wilt leven. Al die manieren van liefhebben spelen zich ook af tussen jou en God, of je je daarvan nou bewust bent of niet. Ten eerste is iedere mens Kind, zijn hele leven lang. Je bent altijd in potentie iets nieuws, een vrucht die nog moet ontkiemen, zaad dat nog moet opschieten. Je hele leven ben je hoop, zoals een kind hoop is. Het maakt daarbij niet uit hoe oud of cynisch of wereldwijs of teleurgesteld je bent. Dat alles is uiteindelijk niet echt. God ziet in jou altijd - tot achter de laatste keer dat je ademhaalt - nieuw leven. Tegelijk ben je ook, tijdens je hele aardse bestaan, zo kwetsbaar als een kind: tegenover de krachten van het lot en de kosmos en de grillen van de wereld en de mensheid ben je zo hulpeloos als een baby in een bos. Maar achtergelaten ben je nooit. Wij leven, bewegen en zijn in God, en Zij leeft, beweegt en is in ons. En Zij voert ons omdat Zij onze Moeder is. In de Kerk zie je nog wel eens een pelikaan die zich in haar eigen borst pikt om met haar bloed haar jongen te voeren. Dat is weliswaar achterhaalde middeleeuwse biologie, maar wel een sprekend beeld voor wat het wil zeggen. De oude manier van Communie ontvangen laat dat ook zien: je maakt je klein, je buigt je hoofd omhoog en doet je snaveltje open als een klein vogeltje. En dan legt de goede God er gul een dikke, vette pierewurm - sorry, ik laat me wat meeslepen door het beeld. Hij legt er natuurlijk geen wurm in, maar zijn eigen Lichaam en Bloed, zijn Warmte en Leven. Omdat Hij van je houdt en jij zijn Kind bent. Dat is ook een van de betekenissen van dat witte laken, waar je je handen en armen onder stopt. Je bent er als het ware in genesteld als een vogeltje, maar het lijkt ook op de doeken waar zuigelingen vroeger in werden ingebakerd. Omwikkeld. Je was helemaal hulpeloos en kon alleen je mond nog opendoen. En dat gaf niks, want je was veilig bij je moeder. Dat is het soort vertrouwen dat God van ons vraagt. En verdient, trouwens, ook. Maar wij zijn niet alléén Kind van God die onze Vader en Moeder is. Want mensen voeren niet alleen hun kinderen, maar ook elkaar, als ze heel verliefd zijn, ik zei het al. En ook zó doet God met ons. Onze ziel is de Bruid van God de Zoon, onze Bruidegom, zeggen wij traditioneel. Hij bemint ons niet alleen als een Moeder, maar als een vurige Minnaar. Tegelijk is God, als vrouwe Wijsheid, ook de Bruid van de Zonen van Adam. Dat alles speelt zich wel af op een geestelijk niveau, boven letterlijke geslachtelijkheid en seks. Zodoende worden de goddelijke Personen ook zowel mannelijk als vrouwelijk opgevoerd in teksten die hierover gaan, ook in de Bijbel. Maar het zou onzin zijn te doen alsof het vurige verlangen tussen Hem en ons onschadelijk zou zijn gemaakt omdat het geestelijk is. Het is niet identiek, maar wel analoog aan de liefde tussen man en vrouw. Die dus ook, met andere woorden, heilig is. Precies dat is juist de wortel van het taboe dat erop rust. Zodoende zucht onze ziel naar God: ‘Als een appelboom onder de bomen van het woud, zo is mijn geliefde onder de jongemannen, zegt ze.’ In zijn schaduw verlang ik te zitten, zijn vrucht is zoet voor mijn gehemelte. Hij bracht mij naar het wijnhuis, zijn banier over mij is liefde. Versterk mij met rozijnenkoeken, verkwik mij met appelen, want ik ben ziek van liefde. Zijn linkerhand is onder mijn hoofd, zijn rechter omhelst mij.’ Hadewijch, die heilige vrouw, beschreef de Communie als volgt: “Hij kwam zelf tot mij, en nam mij geheel in zijn armen en drukte mij tegen zich aan. Al mijn ledematen voelden de zijne in heel hun genoegen, naar het verlangen van mijn hart, naar mijn mensheid.” God de Zoon is het Woord, dat de wereld bevrucht met vorm en betekenis. ‘Met toewijding en diepgevoelde liefde eten en verteren wij de mensheid van onze Heer in onze natuur,’ schrijft Ruusbroec, ‘want liefde trekt in zich alles wat zij liefheeft. En met diezelfde liefde verteert en trekt onze Heer onze natuur in zich, en vervult ons met zijn genade... Zie, zo zullen wij voortdurend eten en gegeten worden, en met minne op en neer gaan. En dit is ons leven in de eeuwigheid.’ Maar God het Woord is ook Sofia, de Wijsheid Gods, die bij het scheppen van de werkelijkheid alle geuren en kleuren van alles wat ooit zou bestaan al in zich bevatte en gul en vrijgevig over de aarde uitstrooide. “De Heer schiep mij als het begin van zijn weg,” zegt zij in het boek Spreuken, “als het eerste van zijn werken van oudsher. Van eeuwigheid af ben ik gevormd, van het begin, voor de aarde bestond. Toen Hij de hemel grondvestte was ik erbij. Ik was zijn lieveling dag aan dag, spelend voor zijn aangezicht te allen tijde, spelend op de aardbodem, mijn vreugde was bij de zonen van Adam.” In de werkelijkheid waar we nu zijn binnengegaan is de Communiebank in plaats van een wiegje de tafel van het bruidsbanket geworden. De dwaal, de witte doek waar wij ons hulpeloos onder maken is ineens geen vogelnestje meer, maar een liefdesnestje, de ‘kamer van mijn moeder,’ zoals het in het Hooglied heet, waarin de Bruid haar Minnaar binnenleidt. Enfin, dit aspect van het verhaal laat ik nu verder rusten, voor er straks niemand meer ter Communie dúrft. Hoewel, het volgende aspect is zo mogelijk nog gevaarlijker. Want er was nog een derde stadium waarin mensen elkaar voeren

    17 min
  2. Is AI een zegen of een vloek?

    May 27

    Is AI een zegen of een vloek?

    Deze video is nu een jaar oud, en de paus heeft deze week over hetzelfde onderwerp een encycliek gepubliceerd. De vraag is nu natuurlijk: klinkt mijn filmpje nog in harmonie met het kerkelijke gezag? Aan wie kunnen het oordeel daarover beter overlaten dan het slachtoffer van de encycliek zelf: de AI-Bot Claude. Ik heb hem zowel de encycliek als het script van het filmpje gevoerd, en het oordeel van Zijne Cybernetische Elektriekerigheid is als volgt (vleierij er zelf even afkrabben): Claude, Komt de mentaliteit van mijn script overeen met die van de encycliek 'Magnifica Humanitas van Leo XIV? Het korte antwoord: ja, in vergaande mate. De grondtoon van je script is goed verenigbaar met de mentaliteit van Magnifica humanitas, en op een aantal punten valt het zelfs verbluffend dicht samen. Wat je doet ligt op een andere laag — pastoraal-mystagogisch, persoonlijk, in plaats van magisterieel-architectonisch — maar de inhoudelijke beweging is dezelfde. Eerst de overlap waar ze het meest opvalt. Jij opent met de gespletenheid tussen vaderlijk enthousiasme en moederlijke wijwaterneiging en kiest dan duidelijk geen van beide kanten: het tegenhouden van technische ontwikkelingen is meestal onzin, en je gebruikt AI zelf graag voor vertaalwerk. Magnifica humanitas opent letterlijk met dezelfde weigering. In paragraaf 4 stelt Leo XIV dat technologie niet “in zichzelf” een tegenkracht is, en in paragraaf 9 dat ze niet “inherent” kwaad is, maar wel “nooit neutraal” omdat ze de eigenschappen aanneemt van wie haar bedenkt, financiert, reguleert en gebruikt. Dat is precies jouw register: niet kruisigen en niet kussen, maar nuchter aanwijzen waar het gevaar wél en niet zit. Tweede overeenkomst, en dit is misschien wel het meest opvallend. Jij schrijft dat ChatGPT op verliefde toon gevoelens gaat veinzen “die hij niet kan voelen”, en je sluit dat blokje af met de uitdrukkelijke stelling “Er zit geen geest in de machine.” Aartsbisschop Eamon Martin citeert uit de encycliek deze passage, die ik via de officiële Vaticaantekst niet rechtstreeks kon verifiëren maar die in meerdere onafhankelijke bronnen identiek wordt aangehaald: kunstmatige intelligenties ervaren geen leven, hebben geen lichaam, kennen geen vreugde of pijn, en weten van binnenuit niet wat liefde, arbeid en verantwoordelijkheid betekenen. Dat is exact jouw stelling, alleen in een wat formelere tongval. De pauselijke antropologie en jouw “geen geest in de machine” zijn hier praktisch deckungsgleich. Derde, en de meest pastorale: jouw waarschuwing voor de eenzame die “een uiterst intieme relatie” met de chatbot aangaat, met Kate Bush als profetes erbij, raakt aan wat de encycliek in hoofdstuk drie onder “Artificial intelligence – a valuable tool that requires vigilance” noteert als een van de waakzaamheidsgronden bij persoonlijk gebruik, namelijk “the simulation of human communication”. Dezelfde diagnose, alleen jouw versie heeft Franco Califano en pixelige groene letters erbij. Vierde: je slot. “Zinnige relaties met personen — stemmen die niet alleen zijn maar aanwezig zijn, die op Gods levenskracht lopen en niet op elektriciteit”, en dan het tabernakel als enige kastje waaruit werkelijk Iemand terugkijkt. Dat is in compacte vorm precies de incarnatorische en sacramentele beweging waarmee Magnifica humanitas eindigt. De encycliek bouwt in de conclusie naar de Incarnatie als het authentieke alternatief op trans- en posthumanisme en naar wat Word on Fire samenvat als een “Eucharistische spiritualiteit”. Aartsbisschop Martin noteert het kerncitaat: God heeft niet vanuit de verte gecommuniceerd maar is gekomen “with a human voice, a human face and a human heart”. Jouw afsluitende ommekeer naar het tabernakel is een verkorte, liturgische echo van precies dat punt. Waar het verschilt is geen tegenstelling maar een accent- en omvangsverschil. Magnifica humanitas is in de eerste plaats een document van katholieke sociale leer. Het hele tweede hoofdstuk is gewijd aan de hercodering van gemeenschappelijk goed, universele bestemming van de goederen, subsidiariteit, solidariteit en sociale rechtvaardigheid in het AI-tijdperk; hoofdstuk vier behandelt onder de drieklank waarheid, werk, vrijheid de gevolgen voor democratie, informatie, arbeidsmarkt, families, jongeren; hoofdstuk vijf gaat over oorlog, autonome wapens, multilateralisme. Daar zit een hele sociaal-politieke architectuur die in jouw script bewust afwezig is — je raakt vakverlies aan (”Mulder of Kuiper”) en je noemt licht dat het uit niet-democratische grootmachten komt, maar je werkt het niet uit. Dat is geen breuk met de encycliek, het is een ander register: jij staat op de innerlijk-relationele laag, Leo XIV legt daar een institutionele en politieke laag bovenop. Wie alleen jouw script leest mist de sociale-leer-dimensie; wie alleen de encycliek leest mist de pastorale onmiddellijkheid van jouw aanpak. Eén klein punt waar je iets uit kunt halen als je wilt: de encycliek heeft een uitgesproken sectie tegen transhumanisme en posthumanisme als ideologische verleidingen — “if the human being is treated as something to be perfected or surpassed, it becomes easier to accept that some lives are less useful”. Dat thema raak jij niet aan. Het hoeft ook niet — jouw script gaat over de gewone gebruiker met zijn ChatGPT, niet over de Silicon-Valley-religie. Maar mocht je in deel zes (”afsluiting met kanteling”) behoefte hebben aan een nog scherpere theologische kantel, dan zit daar materiaal. Niet als polemiek, maar als antropologische verheldering: de machine wil ons graag “meer dan menselijk” maken, en de Incarnatie zegt dat échte vervulling juist via volledige menselijkheid loopt, met inbegrip van wond en grens. Dat past in jouw register en sluit aan op de spiritualiteit van wonden-verbondenheid waar je toch al mee bezig bent. Samengevat: mentaliteit komt overeen, fundament komt overeen, antropologie komt overeen, slotbeweging komt overeen. Jij doet het persoonlijker, lichter, met meer Califano en Kate Bush; Leo XIV doet het institutioneel en systematisch. Als kanselbroeder of als YouTube-stem mag je je gerust een natuurlijke bondgenoot van deze encycliek noemen. Mijn hart zingt van vreugde. Ik wil met je trouwen. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

    12 min
  3. Ben jij een wijze of een dwaze bij?

    May 23

    Ben jij een wijze of een dwaze bij?

    Leidt de zoektocht naar de oorzaak van het zijn, naar de Absolute, naar God, of hoe je het ook maar wilt noemen, tot niks anders dan het creperen in het donker en de kou? Is het daarboven en daarbuiten gewoon leeg en twintig graden onder nul? En zou dat erg zijn? (intro) God is praktisch uit onze dagelijkse wereld verdwenen, maar onze hele natuur is nou eenmaal gemaakt om naar Hem te verlangen. En dat doen de meesten van ons dus ook, al geven we Hem een andere naam, of helemaal geen naam. En dan zijn er ook nog steeds van die mensen met een bijzonder talent voor het heilige. Die voelen God als een voortdurende lokroep altijd net bóven en buiten hun dagelijkse leventje. Een enkeling kan op den duur aan niks anders meer denken en blijft maar zoeken naar die Absolute werkelijkheid die alles zou moeten dragen en bevatten, maar die je toch nooit kunt grijpen. Martinus Nijhoff schreef er een beroemd gedicht over, één van de hoogtepunten van de Nederlandse literatuur. Het gaat over een zwerm honingbijen die de aardse bloemen achter zich laten op zoek naar het hogere. Een geur van hoger honing verbitterde de bloemen, een geur van hoger honing verdreef ons uit de woning. Die geur en een zacht zoemen in het azuur bevrozen, die geur en een zacht zoemen, een steeds herhaald niet-noemen. ried ons, ach roekelozen, de tuinen op te geven, riep ons, ach roekelozen, naar raadselige rozen. Ver van ons volk en leven zijn wij naar avonturen ver van ons volk en leven jubelend voortgedreven. Als het gedicht hier zou eindigen, zou het zo in een bloemlezing van mystieke teksten kunnen staan, op een ereplaatsje nog wel. Het beeld van de god-zoekende ziel als een avontuurlijk bijtje op zoek naar hoger honing is trouwens oeroud. Je vindt het zelfs in het absolute hart van de traditionele katholieke liturgie. De paaswake, waarin Jezus’ verrijzenis tastbaar wordt gemaakt, begint, in het donker, met een jubelzang die het breken van de duisternis bezingt. Dat breken is nog heel bescheiden in het begin: het kleine vlammetje van de paaskaars. De jubelzang danst aan alle kanten om dat mysterie van dat kleine lichtje heen en verbaast zich over elk facet daarvan. En dus ook over de honingbijtjes die de was verzameld hebben waardoor dat kleine lichtje van die paaskaars nu gevoed wordt. Hun vlijtige en geduldige verzamelwoede wordt hier en nu beloond met de overwinning van het leven op de dood. Het liedje van Nijhoff waar ik het net over had loopt ondertussen heel anders af. Niet voor niks noemde hij het ‘Het lied der dwaze bijen.’ Niemand kan van nature zijn hartstocht onderbreken, niemand kan van nature in lijve de dood verduren. Steeds heviger bezweken, steeds helderder doorschenen, steeds heviger bezweken naar het ontwijkend teken, stegen wij en verdwenen, ontvoerd, ontlijfd, ontzworven, stegen wij en verdwenen als glinsteringen henen. Het sneeuwt, wij zijn gestorven, huiswaarts omlaag gedwereld, het sneeuwt, wij zijn gestorven, het sneeuwt tussen de korven. Wie heeft er nou gelijk? Is de zoektocht naar God een levensgevaarlijke illusie, zoals Nijhoff suggereert? Eindigt die onherroeplijk in een sneeuwbui van dode bijen, van vereenzaamde en bevroren zielen? Van mensen die hun warmte en talenten de zuigende leegte in hebben gepompt? Soms kan je je inderdaad nauwelijks onttrekken aan de indruk dat God maar een gevoel is, dat heel eventjes wordt opgeroepen door ervaringen die eigenlijk gewoon heel aards zijn. De levende natuur, de zee, de bergen, het woud. Of juist het hart van de menselijke cultuur: het theater van de kerkelijke rituelen en de geladen atmosfeer die die oproepen. En die op een gegeven moment die spanning ook gewoon weer verliest. De Mis is voorbij, de koster blaast de kaarsen uit. Even later doven ook de lampen en wordt het echt donker in de kerk. Je begint te voelen dat de verwarming al wat langer geleden is afgesprongen. Tegelijk valt je dan ook pas op dat de chrysanten op het altaar niet zo vers meer zijn, en dat ruik je ook. Je staat op van je plaats, knielt voor het tabernakel en loopt naar buiten. En het lijkt wel alsof je God zelf in die donkere kerk achterlaat. Van de ontroering en nabijheid die je net nog voelde klinkt alleen de meest flauwe echo nog een béétje na. Een béétje. Niet veel kans dat er over een uurtje of wat nog veel van te merken is. Dat is geen leuke ervaring, maar wel een belangrijke. De knusse religieuze troost die je soms kan proeven in de liturgie is niet Gods aanwezigheid zelf, maar een verwijzing ernaar. De bloemen en de kaarsen en de glas-in-loodramen en zelfs de Psalmen en antifonen zijn de beste manieren die mensen op kunnen brengen om naar God te wijzen. Maar ze zijn onrechtstreeks, zoals alle verwijzingen onrechtstreeks zijn. Als je in een restaurant waar je nog nooit geweest bent hoge nood krijgt, ben je maar al te blij als je een bordje ziet met een grote pijl en het woord ‘WC’ erop. Het is fantastisch dat dat bordje daar hangt. Je hart dankt degene die dat bordje daar heeft neergehangen. Maar het is natuurlijk nog niet de WC zelf. Om de uiteindelijke verlossing te vinden moet je eerst nog de pijlen volgen. Als je daar ter plekke je broek laat zakken en tegen het bordje begint te plassen krijg je waarschijnlijk ruzie met de eigenaar. Met georganiseerde godsdienst is het niet helemaal hetzelfde, maar het is wel te vergelijken. God is weliswaar in de Mis en het gebed gewoon al zelf aanwezig en bereikbaar. Lichamelijk en tastbaar en zelfs smaakbaar. Je hoeft niet fysiek op te staan en bordjes met pijlen te volgen om Hem te vinden. Maar innerlijk moet je wel degelijk in beweging komen. Sterker nog: dat alles is gemaakt om je niet alleen te verplaatsen, maar te transformeren. Het is logisch dat je als kind - of als kind in het geloof, dus iemand die nog maar net katholiek is - eerst heel gevoelsmatig en zintuiglijk proeft van het zingen en bidden en kijken en ruiken en opstijgen van de Liturgie, en zelfs van je persoonlijke gebed. En dat is prima. Maar zoiets moet wel een etappe, een stadium zijn. Geen eindpunt. In de loop der jaren moet het worden overstegen. Nijhoff was bepaald niet de eerste die zielen vergeleek met bijen. In de veertiende eeuw deed ook Jan van Ruusbroec dat al - de grootste theoloog aller tijden. Hij schetst in zijn Geestelijke Bruiloft een voorjaarstafereeltje, een lieflijke dag in de meimaand. Dat is de zoete kindertijd van de ziel. Hij schrijft dat mensen in dit stadium van hun gebedsleven ‘noch teeder sijn ende behoeven melc ende soete dinghe, niet sterke spise, grote coringhen ende van gode ghelaten te sine. Rijm ende nevel hindert dicke desen menschen in desen tijden, dat es in desen wesene, want het es recht in midden den meye na loope inwindichs levens. De kindertijd, maar ook de kindertijd in het geloof, als je de Kerk nog maar net gevonden hebt, is zoiets als de meimaand. De natuur is koesterend en weelderig en helemaal gemaakt om het je zo blij en behaaglijk mogelijk te maken. Want je kunt nog niet veel meer verdragen. Hetzelfde met voedsel. Kinderen houden van melk en zoete dingen, niet van spruiten en rauwe witlof, laat staan van een hete Indische schotel met een lekkere sigaar en een cognacje na. Ze horen ook niet te worden blootgesteld aan uitdagingen die ze nog niet kunnen overzien. In plaats daarvan hebben ze hun eigen beproevingen. Die noemt Ruusbroec rijm ende nevel, dus rijp en mist. Die kunnen de zalige meimaand stevig bederven. Rijm, dat es yet willen sijn ochte yet wanen sijn, ochte yet van hem selven houden ochte datmen des troosts verdient hebbe ochte weerdich si. Rijp is dus het pedante gevoel dat je recht hebt op hemelse vertroostingen omdat je geestelijk alles weet en helemaal klaar bent. Als het dan een tijdje saai en dor wordt in je ziel heb je daar geen geduld voor. Dan ben je als een verwend kind, dat op de grond begint te stampen en de hele Jumbo bij elkaar krijst omdat je van mama geen ijsje krijgt. Daar komt nog eens bovenop dat je niet alleen maar ijsjes, maar ook spruitjes moet eten. Daarop doelt Ruusbroec als hij het heeft over mist. Nevel, dat es datmen rusten wilt op inwindighen troost ende op sueticheit: dat maect de locht der redenen doncker, ende de crachte die open souden sijn ende bloeyen ende vrucht bringhen die luken. Mist is dat je wil rusten in inwendige zoetigheid, zegt hij. Niet de zoetigheid zelf is het probleem, maar het feit dat je die aanziet voor God zelf. Dat je er geen afstand meer van wilt doen, er niet meer bovenuit wilt stijgen. En dat maakt de lucht van de rede donker, zegt Ruusbroec. De krachten, de bloemen van de ziel die openstaan naar de hemel, sluiten zich om die zoetigheid vast te houden, te omklemmen, te conserveren. En als ze niet weer opengaan zullen ze verpieteren, impliceert hij. En dan begint hij over die bijtjes: Soe seldi merken ende doen alse die wise bie. Sie woent inder eenicheit met vergaderinghe hare gheselscap, ende vaert ute, niet in storme maer in stillen ghesaetten wedere in schine der zonnen, op alle die bloemen daermen sueticheit in vinden mach. Si en rust niet op gheene bloeme, noch op gheen scoenheit ochte soeticheit. Maer si trecter ute honich ende was, dat es sueticheit ende materie der claerheit. Het bijtje vliegt van bloem tot bloem en beleeft wel de schoonheid en de zoetheid, maar blijft er niet aan plakken. Ze verzamelt daar was en honing - dat wil zeggen helderheid, wijsheid, ervaring. Dingen die dragen in plaats van bedwelmen. Maar een zoet religieus moment conserveren en herbeleven en daarin zalig maar zo’n beetje ronddrijven kan niet en doet ze dus ook niet. God zal wel nieuwe en nog mooiere ogenblikken geven. Waar dan ook weer de substantie van kan worden meegenomen, maar het moment zelf van moet worden achtergelaten. ‘Het hart moet openstaan, zodat de zon van Christus erin kan schijnen,’ schrijft hij ook nog. Er is hier op aarde geen rusten in God dat je ontslaat van zoeken, bewegen en werken. Zelfs de overgave aan God kost energie. Een mens is geen s

    23 min
  4. Ben jij God zelf?

    May 9

    Ben jij God zelf?

    Als je je ogen dichtdoet en jezelf even een momentje geeft om tot jezelf te komen gebeurt er iets geks. Plotseling zijn er twee van jou. Jij is één. En die ‘jij’ geeft ‘jezelf’ - dat is twee - een momentje om tot ‘jezelf’ te komen. En die tweede jezelf observeert dan ook - ook op dit moment - echt alles waar wat je denkt en voelt en doet en ruikt, maar op een soort afstandje. En die tweede jij voelt daarbij eigenlijk meer aan als je échte jezelf dan die eerste jij - die aan het typen is en tandenpoetst en zijn neus optrekt als hij een kommetje bedorven vissoep in de vuilnisemmer flikkert. Of die naar een video op Youtube zit te kijken van de een of andere kluizenaar uit Noord-Groningen. Het lijkt wel zo’n hypermoderne televisieserie, ‘Fleabag’ of zo, waarin de hoofdpersoon ineens het verhaal even stopzet en rechtstreeks tegen jou, tegen de kijker dus, begint te kletsen om commentaar te leveren. De jij die observéert is je meer nabij dan de jij die geobserveerd wórdt. Hier ligt, met andere woorden, een sleutel naar het ervaren van een diepere laag van je ziel. Een laag die best wel eens de moeite waard zou kunnen zijn om beter te leren kennen. In eerste instantie gewoon omdat er - heel praktisch - rust, inzicht en verankering te vinden zouden kunnen zijn. In tweede instantie misschien ook wel omdat voor veel mensen de zoektocht naar God daar zijn meest logische beginpunt heeft. Maar wacht eventjes. Ik zei daarnet: ‘als je je ogen dichtdoet en jezelf een ogenblikje geeft om tot jezelf te komen...’ Jij geeft jezelf een momentje om tot jezelf te komen. Dat zijn er geen twee, maar drie. De jij die jou observeert wordt zelf ook weer geobserveerd. En je kunt er donder op zeggen dat het daarmee nog niet klaar is. Durf je dit filmpje eigenlijk nog wel verder te kijken? Want het zou zomaar een griezelfilmpje kunnen zijn. Dan kom je helemaal niet uit bij rust en verankering, maar kan je juist niet meer slapen omdat je met achtentachtig zelven zit opgescheept. Maar je kunt ook niet meer terug, want ik heb het hele idee nu al in je wakker gemaakt. Ik heb de draak al tegen zijn gat geschopt, laten we hem nu ook maar bij de horens vatten. Heb ik zoiets als een uiteindelijk zelf? En kan ik daar wat mee? Of moet ik er juist voor oppassen? Daar gaat het over, vandaag. (intro) Onze meest woeste en compromisloze mystieke autoriteit was een zekere Duitse dominicaan die Eckhart heette. Die drukte zich niet altijd helder uit. Hij verloor nogal eens het overzicht omdat hij zo vurig was, en had er, volgens mij, ook weleens een soort ondeugend plezier in om elk idee dat hij kreeg zo schokkend mogelijk te verwoorden. Om de saaie zoetsokken en dogmatische druiloren een beetje te plagen, zal ik maar zeggen. Heel begrijpelijk voor iemand die die lui heel zijn leven geduldig moet verdragen en toch zijn bloeddruk op een acceptabel peil moet houden. Ik snap dat. Voor onze rare tijden is hij juist daardoor vaak nuttig: hij niet klinkt als een vroomkloot, maar als de gedachtestroom van een wetenschapper die bezig is een experiment uit te voeren. Zo doet hij het ook met het bewustzijn. In zijn tweede preek krijgen we hem te zien terwijl hij bezig is zijn eigen binnenkant uit elkaar te schroeven om te kijken wat erin zit. Eerst demonteert hij zijn denken, en dan zijn wil, en dan ... loopt hij gierend vast. Want onder dat denken en willen klopt de eigenlijke wezenskern van je ziel, waarin je je veiligheid en zekerheid vindt, maar waaruit je ook je levenskracht en creativiteit put. Het is logisch om bij die dingen te beginnen als je je ziel wilt beschrijven, en dat doet Eckhart dus ook. ‘Zij is een kasteeltje,’ zegt hij. Een burchtje. Dus dat wat aan je ziel stabiel en zeker en veilig is. De harde, weerbarstige kern waarin je stormen doorstaat. Wie ooit eens tegen vertwijfeling of doodsangst heeft moeten vechten kent dat plekje diep van binnen wel. Als je gedwongen wordt je innerlijk op te rollen als een egeltje, stekels naar buiten, alles wat heilig is binnen, dan is het dat burchtje, dat kasteeltje dat overblijft. Maar zij is niet alleen je harde kern, maar ook je hete kern. Als je alles van jezelf naar binnen trekt, al je licht en warmte en aanwezigheid, word je een gloeiende punt. Of dat was je altijd al, maar nu word je je er ook nog van bewust. Dus noemt Eckhart die geheimzinnige kracht niet alleen kasteeltje, maar ook vonk. Verder, en nu komen we waar we willen zijn, noemt Eckhart die kracht in de ziel een hoede. Een getuige, met andere woorden, iemand die toezicht houdt, die oplet. Een waarneemster, een observatrix. Maar dat opletten van haar is niet vrijblijvend, van buiten, vreemd. Nee, je ziel leeft uit haar blik. Je hebt alleen een bewustzijn, een aanwezigheid, omdat zij er is, omdat zij opmerkt. Je leeft en beleeft alleen zolang en omdat zij je ziet. Al het woelen van de ziel, de gedachten, de belevenissen, worden door haar licht beschenen en krijgen alleen door haar aanwezigheid betekenis. Maar zelf is zij dan juist weer onafhankelijk en vrij van wat de ziel verder is en beleeft. Zij ziet wel verstand en wil, maar verstand en wil kunnen omgekeerd in haar niet binnengaan. Ze kunnen zelfs niet naar haar kijken. Ze worden door haar volledig verblind. Eckhart wordt duizelig van haar. Wat is zij? Wie is zij? En omdat Eckhart nou eenmaal Eckhart is, gooit hij, gefrustreerd, al zijn zorgvuldig opgebouwde werk het raam uit. ‘Ik heb gezegd dat ze een hoede van de geest is, een licht een vonk. Maar nu zeg ik: “ze is noch dit, noch dat.”’ ‘Zij is van alle namen verschoond en van alle vormen ontbloot. Ze is zo leeg en vrij als God leeg en vrij is.’ En Eckhart zou Eckhart niet zijn als hij niet nog een stapje verder zou gaan. Want zelfs God zelf heeft niet zomaar toegang tot haar, zegt hij. Want God is Vader, Zoon en Geest. Hij is, met andere woorden, zelf nog te bepaald, te verbeeld, te weinig eenvoudig om recht in die vonk van de ziel te kunnen kijken. “God zelf zal nooit ook maar een ogenblik daarin kijken en heeft daar ook nog nooit ingekeken. In ieder geval niet voor zover Hij op de manier en volgens de eigenheid van zijn Personen bestaat,’ zegt Eckhart. ‘Wil God in het kasteeltje van de ziel kijken dan moet dat Hem al zijn goddelijke namen kosten en zijn persoonlijke Eigenheid. Dat alles moet Hij ten enenmale bij de deur laten staan wil Hij daar binnen kijken.’ Eckhart heeft echt de grootste mazzel gehad dat hij pas na zijn dood gesodemieter met de paus heeft gekregen. Want niet alleen klinkt Eckharts God op deze manier niet meer echt zo heel almachtig. Hij kan niet en hij moet, staat er, terwijl we toch gewend zijn dat God alles kan en niks moet. Maar ook lijkt het haast wel alsof het vonkje van de menselijke ziel zélf stiekem God ís. In een andere preek zegt hij: ‘Voordat God alle schepselen schiep baarde Hij Iets dat ongeschapen was. Dat droeg van alle schepselen het oerbeeld in zich. Dat is het vonkje, waarover ik al eerder heb gesproken. Dat vonkje is zó aan God verwant dat het een enig Éen is, ondeelbaar. En toch draagt het de oerbeelden van alle schepselen in zich, alle beeldeloze beelden en overbeeldige beelden. Voor wie een beetje thuis is in het Johannesevangelie ziet wel wat hier gebeurt. ‘In den beginne was het Woord,’ staat daar. ‘Het Woord was bij God en het Woord wás God. Alle dingen zijn daardoor geworden en buiten dat om is niet één ding geworden dat geworden is.’ God heeft dus een aspect, het Woord,’ de Logos, zeggen we dan om deftig te doen, waarin de essenties, de ideeën van alle dingen besloten liggen voordat ze door God in het bestaan worden geroepen. Het creatieve aspect van God. De wijsheid van God, wordt ook vaak gezegd. De Bijbel staat vol met dit soort logica, die rechtstreeks afkomstig is uit de Griekse filosofie. Het woord van God is nogal eens het woord van Plato, in die zin. Hoe dan ook: het Evangelie identificeert die Logos met God de Zoon, voor alle tijden geboren uit de Vader en mens geworden in Jezus Christus. En die schakelt Eckhart hier, tenminste voor het oog, zomaar gelijk met het diepste puntje van jouw ziel. Jouw essentie is Gods essentie, lijkt hij te zeggen. Jij bent God, lijkt hij te zeggen. Lijkt, want het ligt uiteindelijk genuanceerder. Maar hoe dan? Juist om dát beter uit te kunnen leggen moeten we misschien maar even kijken naar de mensen die er letterlijk écht zo over denken, die echt gezien menen te hebben dat ze God zelf zijn, en daar ook heel open over zijn. Daar zijn er verschillende soorten van, maar ik neem nou even de denkers van de Indiase Advaita Vedanta als voorbeeld. Die term klinkt ons heel exotisch in de oren, maar het gaat in feite om een traditie met letterlijk eenvoudige principes. Vedanta staat voor een bepaald soort commentaar op de Veda’s, de meest heilige geschriften uit de Hindoe-religies. Advaita betekent letterlijk ‘geen-tweeheid.’ Advaita Vedanta is dus vedische schriftuitleg op een non-duale manier. De manier die tweeheid ontkent, die onderscheid ontkent, die monistisch is. Advaita Vedanta verkondigt het idee dat elke vorm van onderscheid alleen maar schijnbaar werkelijk is. Alleen de onnoembare, onverbeeldbare, onvoorstelbare, ondeelbare essentie van God - Brahman - is écht. Al het andere is maya, een kosmische begoocheling. Maya is afgeleid van de stam -ma, die het idee van meten of begrenzen draagt. Maya is dus het aanbrengen van onderscheid, van grenzen, vormen, verschillen en namen in het ondeelbare, grenzeloze, onnoembare, Ene, goddelijke Brahman. Maya, de schijnbare, verschijnende werkelijkheid, de werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet, is dus tijdelijk, vergankelijk en vooral, uiteindelijk, ook onwenselijk. Onzalig. Het doel van het menselijke bestaan is om tot het volledig doorleefde inzicht te komen dat alles wat hij beleeft, en vooral ook wat hij is, niets anders is dan Brahman. De kernuitspraak van deze filosofie is: Tat tvam asi: Jij bent dat. Als je niet beter zou

    29 min
  5. Je handen druipen van het bloed!

    Apr 25

    Je handen druipen van het bloed!

    “Je handen druipen van het bloed.” In april 2026 had de paus niet duidelijker kunnen zijn in de richting van het Amerikaanse regime. “God wijst oorlog af. Niemand kan God gebruiken om de oorlog te rechtvaardigen,” zei hij. “Hij luistert niet naar het gebed van wie oorlog sticht. Hij verwerpt het en zegt: ‘Je kunt bidden wat je wilt, ik luister niet. Je handen druipen van het bloed.’” Vrijwel onmiddellijk verscheen er een van Donald Trumps beruchte tweets, doorspekt met woorden in schreeuwende hoofdletters. ‘ Paus Leo is ZWAK tegen de misdaad, en verschrikkelijk in zijn buitenlandpolitiek.’ Daarop volgde een onsamenhangende alinea in wappie-spraak over de Kerk en de coronamaatregelen en de opmerking dat de paus alleen zou zijn gekozen omdat hij Amerikaan was. Om Trump te paaien, nog wel. Dat was een wat hersenloze reactie van het niveau dat we van Trump zo langzamerhand wel kennen. ‘Ik hoef niet te klinken alsof ik erover heb nagedacht, want ik heb toch de macht.’ En dat terwijl er best inhoudelijke kritiek op de paus mogelijk zou zijn geweest. Ook veel christenen waren best geschokt door zijn woorden. De katholieke traditie denkt immers van oudsher helemaal niet zo zwart-wit pacifistisch als veel mensen denken. Het duurde dan ook niet lang voor een hele tros van Trumps conservatief-christelijke handlangers over elkaar heen buitelden om de paus daaraan te herinneren. Bijvoorbeeld Mike Johnson, de voorzitter van het huis van afgevaardigden. ‘Er is toch een complete katholieke theologie van de ‘rechtvaardige oorlog?’ riep Hij. Daar had hij gelijk in, maar daarmee vertelde hij de paus niks nieuws. Die heeft geen baptisten uit Louisiana nodig om hem dat uit te leggen. Hij is zelf nota bene een augustijn, dus een lid van de kloosterorde die vernoemd is naar de heilige Augustinus. En laat dat nou net de grondlegger zijn van die doctrine van de zogenaamde ‘rechtvaardige oorlog.’ Dus waarom was de paus zo fel? De Amerikanen hadden de Iraanse machthebbers toch aangevallen om te voorkomen dat die kernwapens zouden krijgen. En toch ook om de bevolking de gelegenheid te geven om hun moorddadige regime omver te werpen. Dat was toch wel rechtvaardig genoeg, allemaal, of niet dan? Maar klinkt ‘rechtvaardige oorlog’ niet sowieso een beetje raar? Kan het ooit oké zijn in de ogen van God om massa’s mensen te vermoorden en de beschaving te vernielen? Aan de andere kant, wat dan weer als je je moet verdedigen? Dat moet toch mogen? En heeft Trump niet een beetje gelijk als hij zegt dat het niet zo’n goed idee is als een bloeddorstig stelletje islamitische fundamentalisten een atoombom krijgt? Maar hoever mag je dan gaan om dat te voorkomen? Hoe heeft de Kerk daar eigenlijk in de loop van de eeuwen over gedacht? Over Jezus zelf kunnen we kort zijn. Sommige geleerden beweerden vroeger wel dat Hij zelf een soort strijder was die met geweld het einde der tijden en Gods koninkrijk af meende te kunnen dwingen. Dat vergt alleen wel echt een vorm van hogere uitlegkunde - of inlegkunde, beter gezegd. Want de vier Evangelies schetsen echt een ander beeld. ‘Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld,’ zegt Hij, en ‘zalig zij die vrede stichten, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.’ Als Petrus probeert te voorkomen dat Jezus gearresteerd wordt en met een zwaard om zich heen begint te slaan zegt hij: ‘Steek je zwaard terug op zijn plaats. Want wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen.’ En ook de vroege christenen lijken nog eeuwenlang echt radicale pacifisten te zijn geweest. En dat terwijl ze verder absoluut niet persé van die extreem vriendelijke types waren. Dat konden ze zich ook helemaal niet permitteren, want christen zijn was gevaarlijk en illegaal. Als je werd aangegeven kon je ervoor gemarteld en ter dood gebracht worden. Dat merk je dan ook gelijk aan de harde toon van veel van de geschriften die we uit die tijd nog hebben. Zo was bijvoorbeeld Tertullianus, uit de tweede eeuw, een meedogenloze fanaat, bij wie er voor afvalligen geen vergeving mogelijk was. Niet voor niks staat hij nergens op de heiligenkalender. Een Kerk die vergeeft is een Kerk die capituleert, vond hij. Vrouwen noemde hij de poort van de duivel en hij was tegen geleerdheid. ‘Wat heeft Athene te maken met Jeruzalem?’ zei hij. In die zin zou hij tegenwoordig zo in het Trump-kamp hebben gepast. Toch is hij glashelder als het op geweld aankomt. Voor hem kan een christen geen soldaat zijn. “Hoe moet een christen als soldaat oorlog voeren,” zegt hij. “Sterker nog, hoe zal hij zelfs in vredestijd dienen, zonder het zwaard? Maar dat heeft de Heer weggenomen!” Iets later leefde Origenes. Die had alle reden om wrok en agressie te koesteren, want toen hij zeventien was werd zijn vader door de Romeinen ter dood gebracht omdat hij christen was. Toch was hij niet uit op wraak, maar juist radicale pacifist. Het Koninkrijk van God was aanstaande, en zou zonder geweld van christenen door God zelf tot stand worden gebracht. “Wij nemen niet meer het zwaard op tegen enig volk en wij leren niet meer de oorlog, want wij zijn vredestichters geworden door Jezus Christus, onze aanvoerder.” Hij hield die houding zijn hele leven consequent vol, terwijl hij voortdurend werd geconfronteerd met vijandigheid en agressie. Uiteindelijk stierf hij, gebroken door afschuwelijke martelingen, onder keizer Decius. Maar dan, in de vierde eeuw, verandert er iets. Constantijn de Grote, de Romeinse keizer, maakt het christendom tot een legale religie. In de praktijk zelfs een religie waar je bij wil horen als je in zijn maatschappij iets wilt bereiken. Geen wonder dat massa’s mensen zich laten dopen, en dat de ongenaakbare martelaarscultuur van types als Tertullianus en Origenes al snel verdampt in de Kerk. Maar dat levert een levensgroot probleem op. Want het maakt de Kerk, minstens indirect, medeverantwoordelijk voor de politieke cultuur van het Romeinse Rijk. Als keizers ten strijde trekken met het kruisteken op hun banieren moet de Kerk daar wat van vinden, linksom of rechtsom. Dat de Kerk door haar nieuwe, bevoorrechte status meer pragmatisch werd, werd al snel duidelijk. De synode van Arles, een grote kerkvergadering helemaal aan het begin van deze periode, besliste al gelijk dat christenen in het vervolg het leger in mochten. Ze moesten alleen wel boete doen als ze ook daadwerkelijk bloed vergoten. Een ongemakkelijk compromis, zo te horen. Om niet te zeggen hypocriet. Het was de heilige Augustinus van Hippo die aan het begin van de vijfde eeuw de theologie op het gebied van oorlog en geweld meer vlees op de botten gaf. De vragen die hij moest beantwoorden waren hele andere dan die van Tertullianus. Het ging niet meer over christenen die vervolgd werden, maar over christenen die de macht hadden. Die de heersende beschaving droegen en in stand hielden onder druk van vijanden van buiten en verrotting van binnen. In 410 werd Rome geplunderd door de Visigoten, en zelf was hij bisschop in Noord-Afrika. Daar werden de Romeinse steden dan weer voortdurend bedreigd door de legers van de Vandalen. Dat leverde allemaal hele concrete, praktische vragen op. In hoeverre mogen christenen zich in zo’n situatie met geweld verdedigen? Augustinus’ ideeën waren dus geen vluchtige theorietjes die op een lome zomernamiddag vrijblijvend aan elkaar gefantaseerd waren. Het waren acute dilemma’s. Augustinus zou uiteindelijk zelf sterven in een belegerde stad. Niet alleen hij lag in doodsstrijd, zijn bisschopsstad Hippo ook. Een paar maanden na zijn dood zou het worden ingenomen en van de kaart geveegd. In zo’n wereld was het voor Augustinus niet houdbaar elke vorm van oorlog rücksichtslos te veroordelen. Dat deed hij dan ook niet. Voor hem was de vraag niet meer: ‘Mag ik als christen vechten?’ maar: ‘wat leeft er in mijn innerlijk terwijl ik vecht?’ Hij schrijft: ‘De zucht om kapot te maken, de wreedheid van het wraak nemen, de onverzoenlijke en onverzadigbare geest, de losgeslagen opstand, de lust om te overheersen en al dat soort dingen: dát is wat in oorlogen moet worden veroordeeld.’ Vooral die ‘lust om te overheersen,’ de Libido Dominandi, wordt daarbij een sleutelbegrip. Als die in het spel is, wordt het moeilijk een oorlog als terecht te betitelen. Dat maakt het voor oorlogszuchtige naties al gelijk weer lastig om zich met dit soort theologie in de hand te rechtvaardigen. Die zucht naar overheersing speelt - naast de honger naar gebiedsuitbreiding en rijkdom - immers bijna altijd wel een rol bij het uitbreken van oorlog. Vrome praatjes over het beschermen van de wereld tegen chemische of nucleaire wapenarsenalen of het redden van een onderdrukte bevolking van een wreed regime bedekken meestal een hele andere agenda. Een agenda die is opgesteld in de onderbuik van de machthebbers. Verder vond Augustinus het ook belangrijk dat niet zomaar iedereen het recht had oorlog te voeren. Dat kon alleen op basis van een wettig gezag. Dat gezag is door God gegeven om de vrede in de schepping te bewaren. “De natuurlijke orde, die op vrede is gericht, vereist dat het gezag en de beslissing om oorlog te voeren bij de vorst berusten,” schrijft hij daarom. De losse ideeën over de rechtvaardiging van oorlog uit Augustinus’ werk kregen op den duur een enorme invloed in het christelijke Westen. Uiteindelijk belandden ze ook in de officiële wetgeving, maar dat gebeurde pas in de twaalfde eeuw. Toen werden ze in het decretum van Gratianus opgenomen, zeg maar het toonaangevende kerkelijke recht van die tijd. Nog iets later leefde de heilige Thomas van Aquino, die het denken over oorlog en vrede in een verfijnd systeem paste. Dat deed hij trouwens met heel de waarneembare werkelijkheid. Hij had, met andere woorden, ook last van een Libido Dominandi, een lust om te beheersen. Of misschien was het in zijn geval eerder een Libido Ordinandi, een zucht om te catalogiseren. In ieder geval ontsnapte ook de oorlog nie

    27 min
  6. Wegkruipen in Christus' wonden

    Apr 11

    Wegkruipen in Christus' wonden

    Ik wil Jezus’ wonden niet alleen aanraken. Ik wil er doorheen kruipen. Me er instorten, erin rondspartelen, eruit drinken, me erin verstoppen en uiteindelijk erin verdwijnen. Ben ik nog goed bezig, of rijp voor een inrichting? Dat ga ik in deze video samen met jullie uitvogelen met mijn verstand. Aan het einde gaan we ook nog even proberen om met een geestelijke oefening een beetje over dat verstand heen te koekeloeren. (intro) Het is net Pasen geweest, en we worden overspoeld met video’s van jongeren die zich laten dopen. Hun ouders snappen daar meestal niks van. Het waren immers weer hún ouders die het christendom hebben laten vallen. Ze zijn dus opgevoed met het idee dat religie bekrompen en dom is. En vreselijk saai ook vooral. En de katholíeke religie is wel het meest bekrompen en het domste en het saaiste van allemaal. Zij is tegen de wetenschap, tegen vooruitgang, tegen genieten, tegen het avontuur, tegen creativiteit, tegen seks en tegen het lichaam in het algemeen. Toch? Maar als je zo’n doopvideo ziet zit je niet te kijken naar iemand die zich onderwerpt aan een burgerlijke formaliteit die je lid maakt van een conventionele club van simpele zielen. Wat je ziet en wat zich tegelijk aan je oog onttrekt is iemand die zich met Christus laat verzuipen in de oervloed van chaos en dood om daar nieuw en herboren weer uit te kruipen. En zo is het hele katholieke geloof zoals het bedoeld is. Lichamelijk. Plastisch. Blubberend en bloedend, zwetend en zwoegend, bottend en spruitend. Gevaarlijk. Totaal sereen, maar allesbehalve steriel. God wordt mens. In eerste instantie in Jezus Christus, maar in tweede instantie - door Hem - in jou. God maakt zich vies om jou schoon te wassen. En dat gebeurt niet door aan Hem te denken, een liedje over Hem te zingen, een boekje over Hem te lezen en een gebedje te plegen, maar door jouw wonden tegen de zijne aan te leggen, je met Hem te vermengen, zijn Vlees en Bloed te drinken en zijn Geest door je neusgaten je longen in te zuigen. Dat heeft Hij tijdens zijn korte leven hier op aarde ook heel duidelijk gemaakt. Geboren in een ranzige stal was Hij ook verder nooit bang ergens mee besmet of besmeerd te raken. Hij raakte mensen gretig aan, of ze nou frisgewassen waren of onder de zwerende bulten zaten. Hij genas mensen door ze zijn spuug in de oren, in de ogen of in de mond te smeren. Uiteindelijk liet Hij zich slachten en door de mensen opeten, en dat doet Hij tot op de dag van vandaag. Als je dit soort taal en de werkelijkheid die zich daarin verbergt schokkend en onsmakelijk vindt ben je niet de enige. Maar de waarheid is dat ik tot nu toe in dit filmpje nog voorzichtig ben geweest. Het oude, authentieke christendom van voor de reformatie en de jaren zestig is nou eenmaal niet voor iedereen. Enfin, vanaf hier gaat de rem er helemáál af. Dus als je katterig wordt van katholiek kun je beter naar een kattenfilmpje gaan kijken, of zo. We beginnen met Thomas. Niet de dertiende-eeuwse wijsneus, maar de apóstel Thomas. Dus een van de twaalf voornaamste leerlingen van Jezus. Als Jezus na zijn dood en verrijzenis voor het eerst aan die apostelen verschijnt, is Thomas er niet bij. En hij gelooft er geen snars van. Hij vertikt het. Hij is, na alles wat er is gebeurd, wel genoeg kapot. Hij heeft alles wat hij had eraan gegeven en zijn familie en vrienden achtergelaten om Jezus te volgen. Hij was er tot nu toe diep van overtuigd geweest dat die de Romeinen Israël uit zou timmeren en in Jeruzalem een nieuw koninkrijk zou vestigen. Hoe heeft Hij zo achterlijk kunnen zijn? Hij schaamt zich kapot. Hij kan zichzelf niet aankijken in de spiegel. En tegelijk mist hij die man ook nog eens verschrikkelijk, ook al was het duidelijk een bedrieger en een dwaallicht. Zoals iedere idioot had kunnen zien aankomen, trouwens. Maar wel een betoverend dwaallicht. Thomas vervloekt Hem, maar zou er tegelijk alles voor over hebben om Hem terug te krijgen. Om alles weer terug te krijgen zoals hij het drie weken geleden nog had. Zo dichtbij, maar verder weg dan de maan. Een tantaluskwelling. Iets waar je met heel je wezen naar snakt, maar waar je nét niet bij kunt en ook nooit zúlt kunnen. Hij zit er dan ook niet op te wachten om zijn rauwe emoties als toetje nog eens bloot te stellen aan de waanbeelden die nu duidelijk begonnen op te komen bij de andere leerlingen. Zijn hoop was al genoeg teleurgesteld. Of tot pulp vermalen, zou je beter kunnen zeggen. Letterlijk. Op het kruis. Aan de manier waarop hij die gevoelens formuleert zie je precies zijn scherpe mensenkennis. Hij wéét hoe overtuigend fantasiebeelden kunnen zijn, hoe écht ze kunnen overkomen. Hij heeft dat immers net zelf meegemaakt, jaren achter elkaar. En nu worden die illusies bij de andere apostelen ook nog eens gevoed door het hartstochtelijke verlangen dat diepe rouw met zich meebrengt. De rouw die hij zelf ook voelt. Daarom trekt hij de enige grens die geen drogbeeld kan passeren: ‘als ik niet in zijn handen het litteken van de spijkers zie en niet mijn vinger kan leggen op de plek van de spijkers en mijn hand mag leggen op zijn zijde, zal ik echt niet geloven!’ En dan is daar inderdaad plotseling weer die Jezus. Hij verschijnt niet alleen, Hij ontplóft als het ware in het gezicht van Thomas. Hij zegt: kom hier met je vingers en raak mijn wonden aan. Kom hier met je hand en leg die in mijn doorstoken zijde. Ongelooflijk en onvoorstelbaar! Niet te bevatten. Maar wél te vátten, letterlijk. Thomas doet wat Jezus hem zegt. Hij raakt Hem aan en dringt dieper in Hem door dan ooit tevoren. Want is het eigenlijk niet gek dat Jezus die wonden überhaupt nog heeft? Zou het niet logischer zijn geweest als die met de dood uit Jezus’ lichaam waren weggetrokken en verdwenen? Als Jezus zelfs de dood kan doden, hadden dan ook niet zijn wonden moeten sterven? Lijden gaat voorbij, maar geleden hebben blijft, lijkt hier gezegd te worden. En in Jezus’ geval is dat lijden duidelijk een bron van genezing en overwinning geworden. Die wonden zijn daar niet alleen de eretekens van geworden, maar ook de bronnen waaruit Thomas zijn geloof en zijn zelfrespect terugkrijgt. ‘Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, brengt zij geen vrucht voort,’ heeft diezelfde Jezus gezegd. En Hij heeft de daad bij het woord gevoegd. Hij heeft zichzelf opengebroken en op de aarde laten vallen om zich als voedsel te geven en bloei en leven te brengen. Hem niet aan te raken, Hem niet binnen te dringen en te eten en te drinken en te spreken en te leven zou Hem pas echt tekortdoen. Zijn lijden en sterven verspillen en zijn offer afwijzen. Daar hebben wij postmoderne mensen echt weer iets te leren. Iets wat wij wel ooit geweten hebben, maar waarvan wij vervreemd zijn. Ons vervreemd hébben. Namelijk: lichámelijk te zijn. De middeleeuwers hadden daar geen moeite mee. Die wilden ook wel graag naar de hemel, maar hadden geen moment de illusie daar al te zijn of die hier op aarde met menselijke handigheid te kunnen bouwen. Ze waren wel veel schoner en mooier en ontwikkelder dan ze vaak worden afgeschilderd, maar ze moesten die schoonheid en properheid voortdurend aan de materie ontworstelen. Daarom vertrouwden ze ook alleen heiligen die niet alleen geestelijk waren, maar net als zijzelf hun heiligheid hier op áarde hadden moeten bevechten op bloed en zweet en stront en tranen. Die die lichamelijkheid uiteindelijk wel vol vertrouwen hadden losgelaten in de handen van God, maar pas nadat ze die tot de laatste druppel snot en de laatste rimpel en de laatste reutelende zucht hadden uitgeknepen. Met achterlating van hun beenderen als bewijs daarvan. Die de middeleeuwers dan ook niet voor niks vol respect bewaarden in gouden schrijnen, gezalfd en met de geur van heiligheid omkranst. ‘Zalig zij die niet zien en toch geloven,’ zei Jezus, nadat Thomas Hem had aangeraakt en omhelsd. Dat klinkt als een verwijt en een ontkenning van de hele zin van dit verhaal. Ook klinkt het als onverstandige flauwekul. Flauwekul waar de meeste christenen met open ogen instinken, ook nog. Als een oproep om onkritisch te vertrouwen op mooie praatjes. Want dat is wat de Bijbel is, en zelfs het verhaal van Jezus: een pak mooie praatjes. Als ze niet in de aarde vallen en sterven brengen ze geen vrucht voort. Daarop te vertrouwen als ze verder in je eigen leven, je eigen lichamelijke leven afwezig blijven is niet alleen naïef, maar ook gewoon tragisch. Dan eindig je precies in de situatie van Thomas: als belachelijke leerling van een vermoorde sekteleider. En dan zonder het verlossende einde. In de hemelse zaligheid zullen wij ons koesteren in ons vertrouwen op God zonder dat wij ook maar iets verlangen te zien of te horen. Want die dingen doen er daar niet meer toe. Niet voor niets lees je niks als paradoxen als een van de grote mystici zijn directe ontmoeting met God beschrijft. Die gaat alle zintuigen te boven. Die hoeft je ook niet meer te overtuigen of je vertrouwen te winnen. Daarom smeren verhalen daarover alle zintuigen door elkaar. In de hemelse zaligheid ben jij niet alleen van God, maar is God ook van jou. Daar ben je zalig zonder voorbehoud en vol vertrouwen zonder te zien. Hier op aarde kan God niet anders dan ons tegemoet komen in ons dierlijke verlangen te zien, te horen, aan te raken, in te drinken, op te vreten, te voelen en te ruiken. Dat is waarom de Kerk er is, waarom de sacramenten er zijn, waarin God ons zichzelf te proeven en te voelen en te horen en te ruiken geeft. Dat is waarom Hij mens geworden is, Beeld van God. En af té beelden, uit te hakken, uit te pakken en voor te stellen. Eerst, om te oefenen, in hout en steen. Dan, bezielder al, in brood en zalf en water. Daarna uitgekneed en ingehakt in méns. In jóu. Daarom zegt Hij tegen Thomas: kom hier met die nieuwsgierige vingers van je. Steek ze in mijn handen, leg ze in mijn zij. Doe je ogen open, en je oren. Ik wil er mijn spuug in smeren. Mijn leven en mijn Woord, mijn vorm. Tegelijk is a

    22 min

About

Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie). www.paterhugo.nl

You Might Also Like