Geruis Uit De Kluis

Pater Hugo

Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie). www.paterhugo.nl

  1. Sep 12

    Is Pater Hugo een Modernist?

    De laatste tijd stikt het ineens van de vers bekeerde katholieke mannetjes die mij uitschelden voor modernist. Dat is in ieder geval een fris prespectief, want het grootste deel van mijn leven ben ik nogal eens voor aartsconservatief uitgemaakt. Dus fijn dat er eens wat nieuws onder de zon is. Maar ik heb wel de indruk dat deze jonge traditionele katholieken niet echt goed begrijpen wat het woord ‘modernisme’ precies betekent. Ik snap dat, want het is ook écht een héél moeilijk woord. Zelfs de mensen die het bedacht hebben konden destijds al niet goed uitleggen wat ze er eigenlijk mee bedoelden. Een beetje zoals je tegenwoordig het woord ‘synodaliteit’ hebt. Enfin, dat is een ander verhaal. Dat moet maar eens worden behandeld door iemand die ervoor betaald wordt en dus wel zal moeten. Ik beperk mij vandaag tot modernist en modernisme. Ik zal eens grondig uitleggen waar dat woord vandaan komt en wat het nou eigenlijk wel en niet betekent. Dan kunnen al die opgewonden kleine conservatieve vadermansjes mij er in het vervolg met recht en reden voor uitschelden. Of misschien ook wel niet. Maar daar komen we dan nu achter. (intro) Voordat ik echt van wal steek nog even voor de echt ongeduldige tiktokbreinen onder ons: op paterhugo.nl heb ik een cheat sheet modernisme klaargezet. Link in de beschrijving. Ok: daar gaan we dan: Een modernist in de katholieke zin is alvast niet zomaar iemand die de liturgie wil verpesten met banaal gedoe of sacrale dans of brood-en-watervieringen of malle liedjes. Zo iemand noemen wij in de katholieke Kerk gewoon een prutser of, als hij ervoor gestudeerd heeft, een vakliturgist, maar niet persé een modernist. Ook bedoelen we met dat woord niet iedereen die in het algemeen moderne ideeën heeft over de Kerk of de theologie of de ethiek. Iemand die vrouwen priester wil laten wijden of homo’s kerkelijk wil laten trouwen is wel erg modern, maar niet persé een modernist. Kán wel, maar hoeft niet persé. Wat is dan wél precies een modernist? De definitie is ongeveer als volgt: Een katholieke modernist is iemand die het christelijk geloof helemaal probeert te begrijpen vanuit de moderne historische wetenschap en de moderne filosofie. En dat niet zómaar, maar zó dat dogma’s niet meer in de eerste plaats worden gezien als onveranderlijke waarheden die God heeft geopenbaard. Ze worden gezien als menselijke formuleringen van een religieuze ervaring. Die formuleringen ontwikkelen zich door de geschiedenis heen en zouden ook zomaar kunnen veranderen of zelfs worden achtergelaten. Dat de definitie zo lang is geeft al wel aan dat het om een behoorlijk vaag begrip gaat. In ieder geval is vooral die laatste zin heel essentieel. Dus dat de grote geloofswaarheden van de Kerk zich niet alleen ontwikkeld hebben, maar ook nu nog kunnen veranderen of zelfs worden losgelaten. Iemand die dat niet duidelijk zo verkondigt is per definitie niet geen modernist. Vanaf de achttiende eeuw ontwikkelden de moderne wetenschappen zich ineens razendsnel, en in de negentiende eeuw zorgde dat ervoor dat het wereldbeeld van de mensen in feite niet meer tot rust kwam. Elke keer als je dacht dat je het snapte veranderde alles weer. De geologie maakte duidelijk dat de aarde niet duizenden, maar tenminste miljoenen jaren oud was. Darwin verscheen met zijn theorieën over de evolutie, rare verhalen over de mensen die van apen afstammen. Electriciteit, licht en magnetisme bleken min of meer hetzelfde verschijnsel te wezen. Ziekten bleken nogal eens te komen van levensvormen die zo klein zijn dat je ze niet kan zien. Het was om stapelgek van te worden. Wat heel belangrijk is, en ik daarom ook maar blijf benadrukken, is dat mensen voor het eerst op grote schaal gingen reizen. Daardoor kwamen er echt persoonlijke contacten met mensen met totaal andere religies uit totaal andere culturen. Dat maakte het veel lastiger om die religies en culturen als alleen maar monsterlijk of vreemd te blijven zien. Maar dat leverde wel twijfels op aan hoeveel waarheid van God er misschien ook wel in die andere tradities zou kunnen zitten. En sommige mensen begonnen zich zelfs af te vragen hoe absoluut de eis van Jezus was dat zijn leer overal verkondigd moest worden. Dat alles raakte dus hier en daar al behoorlijk aan het geloof, maar een hoop andere dingen nog veel directer. Voor het eerst werd het bijvoorbeeld duidelijk dat de Bijbel bepaald niet uit de lucht is komen vallen. Zo ontdekte een zekere George Smith tussen een berg Assyrische kleitabletten een voorloper van het verhaal over Noach en de ark. Het was duidelijk dat het Bijbelse verhaal daarvan afhankelijk was geweest. De uiteindelijk strekking was ook nog eens anders: God verdelgde de mensen niet omdat ze zo zondig waren, maar omdat ze teveel lawaai maakten. Dit alles maakte het wel moeilijk de zonvloed en de redding van Noach nog letterlijk te nemen. Sowieso toonden Bijbelgeleerden aan dat de vijf eerste boeken van het Oude Testament, waarvan iedereen altijd had geloofd dat ze door Mozes geschreven waren, door een hele hoop mensen in een hele hoop verschillende tijden waren geschreven. En daarna nog eens door een hele hoop mensen door elkaar waren gehusseld en veranderd en herschreven, dat ook nog. Dan waren er nog de geleerden die zich op de ideeën van kerkvaders stortten. En ook die ontdekten van alles. Eigenlijk dwaas, want het ging hier om geschriften die altijd al gewoon beschikbaar waren geweest en gedeeltelijk zelfs in de liturgie zaten. Maar iedereen had er al die tijd overheen gelezen. Het viel nu toch wel op dat allerlei heilige kerkvaders er in de eerste eeuwen van het christendom ketterse ideeën op na hadden gehouden. Nou ja, eigenlijk konden die ideeën toen nog niet ketters zijn, omdat de orthodoxe leer er gewoon nog niet was. Dat gold voor de heilige Justinus de martelaar, de heilige Cyrillus van Alexandrië en zelfs, in zekere zin, voor de heilige Athanasius. De clou van dit alles bij elkaar was dat vrijwel alles ineens een geschiedenis kreeg. De aarde had een geschiedenis. Diersoorten hadden een geschiedenis. De mens had een geschiedenis. Talen hadden een geschiedenis. Beschavingen hadden een geschiedenis. En uiteindelijk bleken ook Bijbelteksten, dogma’s en religieuze instituties een geschiedenis te hebben. Waarschijnlijk kijk je daar helemaal niet zo erg van op, en ook in de negentiende eeuw hadden ze dat op zich ook wel de hele tijd al geweten. Maar ze waren al heel lang niet meer gewend geweest om er ook zo naar te kijken. Tussen de elfde en de vijftiend eeuw had er een stroming gebloeid in de theologie die we ‘scholastiek’ noemen. Die had ertoe geleid dat de katholieke theologie veel meer naar de werkelijkheid was gaan kijken als een systeem dan als een geschiedenis. Niet de ontwikkeling van het christelijke denken stond centraal, maar de samenhang ervan in het hier en nu. De scholastici keken niet chronologisch naar de katholieke werkelijkheid, maar synchroon, zo noemen we dat dan. Ze beweerden het niet, maar hun werk wekte evengoed wel de indruk, dat de christelijke werkelijkheid even statisch was als de natuur. Dat het geen verhaal was, geen relatie van God met de mens die zich ontwikkelde, maar een kristallijn stelsel van verbanden, hiërarchieën en systemen. Dat beeld versterkte zich nog eens toen verschillende scholastici een soort totaaltheologieën begonnen te schrijven - boeken waarin ze probeerden heel de christelijke leer samen te vatten. De beroemdste van die theologen was de heilige Thomas van Aquino, die heel de werkelijkheid doorrekende aan de hand van het denken van de klassieke filosoof Aristoteles. Hij schiep een soort symfonische dogmatiek waarin alles met alles samenhing. Officieel maakte hij het niet eens helemaal af, maar toch oogde het zo compleet dat het inderdaad zoiets als de illusie van de definitieve voltooiing van de theologie wekte bij veel mensen. Zelf zou hij die suggestie trouwens bespottelijk hebben gevonden, maar het probleem met dit soort meesterwerken is nou eenmaal dat als je eenmaal dood bent anderen vrij zijn om wat je hebt gedaan te verabsoluteren totdat ze er blauw van aanlopen. En dat werd ook gedaan. Zijn ‘Summa Theologiæ’ werd zo invloedrijk dat de hele theologie er een totaal andere smoel van kreeg. In feite is dat enorm ironisch, want het verkeerd begrijpen van zijn mentaliteit zou nou juist leiden tot het gevoel dat dat helemaal niet kon, drastische veranderingen in de theologie. Thomas’ manier van denken ging na zijn dood nooit meer weg, maar liep in het begin ook niet uit de hand. Maar in de loop van de negentiende eeuw kreeg de Kerk het benauwd, door allerlei omstandigheden. Allerlei oude zekerheden vielen weg. De kerkelijke staat werd afgepakt, de paus was in het vervolg alleen nog een geestelijke leider. Allerlei ontdekkingen en andere manieren van kijken - ik heb het net al beschreven - bezorgden veel mensen twijfels aan het geloof. Dat merkte je ook in de politiek. Vooral in Frankrijk ontstond een vorm van liberalisme die sterk tegen de Kerk gekant was. De overheid en de intellectuele bovenlaag van de samenleving begon het geloof nogal eens actief tegen te werken. Het lukte de Kerk niet om daar soepel op te reageren. In plaats daarvan trad er een soort defensieve verkramping op. En in de theologie gebeurde dat door aan de hand van de systemen van Thomas een nog veel fijnmazigere systematisering door te voeren. Er werden voor elk terrein van de theologie handboeken geschreven waarin elk detail van de werkelijkheid tot in de diepste poriën werd vastgelegd. In genummerde lemmaatjes, lekker helder, lekker duidelijk. De priesters die hieraan werkten noemden zichzelf thomisten, maar tegenwoordig spreken we over dit stadium in de theologie als het neothomisme. Dit alles werd in eerste instantie ervaren als een enorm positieve ontwikkeling. Op 4 Augustus 1879 publiceerde paus Leo XIII de encycliek ‘Aeterni Patris,’ officieel over het herstel van de christelijke filosofie. Daar

    Is Pater Hugo een Modernist?
  2. Aug 30

    Geroepen tot zelfgave

    De lezingen waarover de preek gaat: De profeet Jeremia bad als volgt: Heer, Gij hebt mij verleid, ik ben bezweken, Gij waart mij te sterk. Ik kan niet tegen U op. De hele dag lacht men mij uit, iedereen drijft de spot met mij.Telkens als ik het woord neem, moet ik schreeuwen en 'geweld en onderdrukking' roepen. Het woord van de Heer brengt mij iedere dag schande en smaad.Soms denk ik: Ik wil er niets meer van weten, ik spreek niet meer in zijn naam. Maar dan laait er een vuur op in mijn hart, het brandt in mijn gebeente. Ik doe alle moeite om het in bedwang te houden maar dat lukt me niet. (Jer. 20, 7-9.) Broeders en zusters, ik smeek u bij Gods erbarming: wijdt uzelf aan Hem toe als een levende, heilige offergave, die Hij kan aanvaarden. Dat is de geestelijke eredienst die u past.Stemt uw gedrag niet af op deze wereld. Wordt andere mensen, met een nieuwe visie. Dan zijt ge in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, wat zeer goed is en volmaakt. (Rom. 12, 1-2.) In die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan; dat Hij daar veel zou moeten lijden van de oudsten, de hoge­priesters en de schriftge­leerden, maar dat Hij na ter dood gebracht te zijn op de derde dag zou verrijzen.Toen nam Petrus Jezus ter zijde en begon Hem ernstig daarover te onderhouden: 'Dat verhoede God, Heer! Zo iets mag U nooit overkomen!'Maar Hij keerde zich om en zei tot Petrus: ' Ga weg, satan, terug! Gij zijt Mij een aanstoot, want gij laat u leiden door menselijke overwegin­gen en niet door wat God wil.'En daarna tot zijn leerlingen: 'Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen.Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden.Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als dit ten koste gaat van eigen leven? Of wat zal een mens kunnen geven in ruil voor zijn leven?Want de Mensenzoon zal komen in de heerlijk­heid van zijn Vader, vergezeld van zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden. (Mt. 16, 21-27.) This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

    Geroepen tot zelfgave
  3. Aug 22

    Emoties zijn achterlijk

    Alle emoties zijn dom, behalve boos zijn, en elke vorm van genuanceerd denken is slap en ontwijkend geleuter. Dat zou je in ieder geval gaan denken als je op het katholieke internet komt. Daar zijn sinds kort de puistige puberjongetjes de baas. Dus moet plotseling alles stoer zijn. En vooral ook heel duidelijk. Dat de oude garde van beroepskatholieken daar moord en brand over schreeuwt is niet zo raar. Het is namelijk echt even wennen, want de wind stond tot voor kort precies de andere kant op. Het klimaat was er uitgesproken vrouwelijk, om het incorrecte woord verwijfd maar even niet te gebruiken, al ligt dat me in deze context wel echt vóór op de tong. ‘Hoe kan je dat nou zeggen, pater!’ roepen de mensen die nooit in een kerk komen nu onmiddellijk. ‘De katholieke Kerk is toch altijd al overdreven patriarchaal en door mannelijke waarden gedomineerd? En vrouwen kunnen toch helemaal geen priester worden en de priesters zijn toch de baas in de Kerk?’ Heel vroeger was dat inderdaad wel zo, maar de werkelijkheid zag er de laatste zestig jaar of zo heel anders uit, zeker in noordwest Europa. Tot voor kort gingen mannen, als ze het even konden vermijden, zelfs liever helemaal niet meer naar de Kerk. Ze kwamen eigenlijk alleen nog als ze werden gedwongen door hun vrouw. Dat kon ze ook moeilijk kwalijk worden genomen. Wat er in de gemiddelde parochiekerk werd opgevoerd stond meestal stijf van de kinderliedjes, de sentimentele gedichtjes en een soort theatrale solidariteit met alles wat zielig was die meestal, eenmaal weer buiten, vooral heel vluchtig bleek te zijn. Hoe dan ook draaide alles om gevoel. Het geloofsonderricht ging niet meer om God en om Jezus, maar om jouw ervaring. ‘Hoe beleef jij dat?’ werd er de hele tijd gevraagd. En ‘Zo voel ik dat nou eenmaal’ was het einde van elke discussie. Je gevoel was de meest uiteindelijke maatstaf van alles. Die wereld is nu in de mist van de tijden verdwenen. Misschien dat hij nog een beetje na-ebt in een enkele afgelegen dorpsparochie, maar ook daar zal het nu wel snel over zijn. Die dingen gaan sneller dan vroeger, door het internet. En het katholieke internet - ik zei het al - zit vol jonge mannetjes. En die hoeven het even niet zo nodig over hun gevoelens te hebben. Weg met de weke therapietaal waarin alles gevoeld en gedeeld en verwerkt moet worden en waarin elk ongemakje een trauma is en elk smaakje een identiteit. Weg met die s**t! Weerbaarheid gaat het om! Discipline, koude douches, op je tanden bijten. Sportschool, gezond eten, doorzetten, op eigen kracht de broek ophouden. Je merkt wel dat de stoïcijnse filosofen in de mode zijn. De filosoof-keizer Marcus Aurelius en Seneca, de opvoeder van de slechte keizer Nero, die hem uiteindelijk vermoordde. Spannende levens, stoere filosofie. En de traditie van de Kerk geeft ze gelijk, toch? De kerkvaders hadden immers ook al niet veel met gevoelens. Dat zijn oprispingen uit het lagere deel van je ziel, bewegingen van je drift en je begeerte, je dierlijke krachten. Het zijn precies je gevoelens die door de demonen worden opgepord om op hol te slaan en je weg van God te sleuren, toch? Daarom moeten ze getemd worden door het intellect. Je gedachten moeten de baas zijn over je emoties. Als je dit soort dingen hoort komen die uiteindelijk van de woestijnvaders. Dat waren de eerste christelijke monniken, die vanaf de derde eeuw leefden in de Egyptische woestijn, bij Alexandrië. Ze waren enorm strijdbare figuren. Ze wilden God zoeken en zich bewijzen tegen de machten van het kwaad. Toen de christenvervolgingen voorbij waren en ze dus niet meer als martelaar konden sterven trokken ze de woestijn in. Daar konden ze in gevecht tegen de demonen en de afgodische geesten van de oude Egyptenaren, en zo alsnog een soort martelaren worden. Ze konden over het algemeen niet lezen en schrijven, en hadden ook niet echt de filosofische bagage om hun eigen ervaringen te kunnen duiden. Ze waren praktische mannetjes, bouwvakkertjes van de ziel, met strenge eenzaamheid en vasten als gereedschap. Ze hongerden de duivel letterlijk uit hun binnenste weg. Nou zouden we geen flauw benul hebben gehad van hun innerlijke wereld als er niet een zekere Evagrius was geweest. Dat was wel een heel onwaarschijnlijk figuur om woestijnkluizenaar te worden. Hij was juist een verwend mannetje dat aan het keizerlijke hof in Constantinopel allerlei deftige baantjes had. Hij was een decadent figuur en kroop bij zoveel mogelijk chique vrouwen in bed. Op een gegeven moment ging dat verkeerd, omdat chique vrouwen nogal eens machtige echtgenoten hebben, die het niet lollig vinden als ze niet zeker weten of hun kinderen wel echt van hen zijn. Evagrius moest dus vluchten en bekeerde zich zowaar tot een vroom leven bij de monniken. Eerst in Palestina, maar dat was een valse start. Na een paar maanden zat hij toch weer in het uitgaansleven van Jeruzalem en met zijn tengels overal waar ze niet hoorden. Hij besloot het dan maar drastisch aan te pakken en trok naar de hardcore kluizenaars, diep in de Egyptische woestijn. Met al zijn intellectuele bagage. Daarmee kon hij wat hij van de woestijnvaders te horen kreeg op zo’n manier opschrijven dat het ook voor buitenstaanders begrijpelijk werd. En hij deed dat aan de hand van de psychologie van Plato. Zo werd diens intellectuele raamwerk de kapstok voor de zo praktische ervaringswijsheid van de woestijnvaders. Plato onderscheidt in de ziel drie krachten of vermogens. Hij beschrijft die als een wagen met een menner en twee paarden ervoor, een wit paard en een zwart paard. Er zijn twee lagere vermogens, de drift - vaak toorn genoemd - en de begeerte. De toorn of drift is het witte paard. Het is zoiets als je levensenergie, je motivatie, je krachtbron. Je dommekracht. Je uithoudingsvermogen ook, trouwens. Het is redelijk braaf, zegt Plato. Het zwarte paard is je begeerte. Dat is de kracht die God je heeft gegeven om je te richten op de dingen die je nodig hebt om je lichaam en je soort in stand te houden. Het zet je aan op zoek te gaan naar voedsel, water, kleren, voortplanting, warmte, enzovoort, enzoverder. Het is wat opstandiger dan het witte paard, wat gevoeliger voor ontsporingen. Je hebt ook een hoger vermogen. Dat is de wagenmenner. We noemen het het intellect. Dat is niet zomaar een rationeel rekenmachientje, maar je eigenlijke, diepe zelf. Dat wat wij tegenwoordig bedoelen als wij het woord ‘ziel’ gebruiken. Je beide lagere vermogens, drift en begeerte, zijn op zichzelf neutraal, niet goed of slecht. Maar ze zijn ook primitief. En ze slaan makkelijk op hol. Dat maakt ze kwetsbaar voor de duivels en de demonen, die jou van God willen vervreemden. Ze willen dat jij in plaats van God de geschapen dingen aanbidt. Vreten, neuken, zuipen. Je overgeeft aan je meest primitieve zelf. Dus kietelen ze je begeerte met ideeën over blote borsten of knapperig gegrilde kippenpoten. In de woestijn is het niet moeilijk om mensen gek te krijgen met dat soort dingen. Die zijn immers verstoken van alles. Evagrius beschreef op basis van de ervaringen van de woestijnvaders acht specifieke dingen waarmee de duivels de monniken in de val probeerden te lokken. Die noemde hij de logismoi, de acht gedachten. Het gaat om vraatzucht, geilheid, hebberigheid, depressie, woede, geestelijke lamlendigheid, ijdelheid en hoogmoed. Paus Gregorius de Grote destilleerde er later de zeven hoofdzonden uit. Ik heb daar al uitgebreid filmpjes over gemaakt, ik zet daar links naartoe in de beschrijving. Om zich tegen die acht gedachten te wapenen ontwikkelden de woestijnvaders verschillende technieken. De belangrijkste was wel het rücksichtslos delen van al je gedachten met je geestelijke vader. Dat dwong je daardoor tegelijk ook om een heel verfijnde zelfobservatie te ontwikkelen. Zo kwamen de woestijnvaders tot een effectieve manier van wat wij tegenwoordig schaduwwerk zouden noemen: je eigen duisternis kennen, je beest in de bek kijken. Het doel daarbij was om de toestand van de passieloosheid te bereiken, de apatheia. Dat klinkt veel versbekeerde katholieke jonge mannetjes als muziek in de oren. Lekker stoer. Geen emo-gesnotter meer, alleen nog gezond verstand. Maar er wordt met die passieloosheid iets anders bedoeld dan zij in eerste instantie denken. Apatheia is geen koude onverschilligheid of een ijzeren controle zonder meer. Apatheia is ook geen eindpunt. Ze is ruimte die vrijgemaakt is voor God. Ze is bedoeld om moeder van jouw godsontmoeting te worden. Een hemel voor God om in te tronen, in het hart van jouw innigste zelf. De woestijnvaders streefden er niet naar om mannen van steen te worden. Ze wilden hun emoties niet vernietigen, maar ordenen. Vrijwel alle acht gedachten hebben ook een tegenovergestelde goede variant, die evengoed nog steeds emotioneel is. Het verschil is dat die zich laat leiden door het intellect. Niet door waar je zin in hebt, maar door wat je ten diepste wil. Om maar eens een paar voorbeelden te noemen: tegenover de hebzucht is er de ruimhartigheid die ervan geniet je naaste gelukkig te maken met wat je bezit. Tegenover de geestelijke lamlendigheid is er de dankbaarheid bij elk moment dat je even wordt aangeraakt door de aanwezigheid van God. Tegenover de duivelse depressie is er de gave van tranen, het kunnen huilen om je zonden. Dat is een typisch woestijnvadersidee. Die tranen komen uit een fundamenteel besef van je eigen duisternis en kleinheid die je tegelijk helemaal over laten lopen van dankbaarheid voor de genade van God. Allemaal zaken die heel positief zijn, maar wel ook emotioneel. Het gaat er dus inderdaad niet om je emoties te vermoorden, maar ze door de geest te laten zuiveren. De heilige Augustinus dacht er ongeveer hetzelfde over. Hij was bisschop in het huidige Tunesië, dat toen nog christelijk was, en misschien wel de invloedrijkste kerkvader ooit, in ieder geval bij ons in het westen. Als er iemand ooit wereldkampioen zelfreflectie had kunnen worden zou hij het wel geweest zijn. Hij was

    Emoties zijn achterlijk
  4. Aug 15

    Blauwdrukken van de Werkelijkheid I

    This is a free preview of a paid episode. To hear more, visit www.paterhugo.nl Of je nu Ruusbroec of Eckhart leest, Theresia of Sint Jan van het Kruis, telkens weer schemert er door en onder de woorden een stelsel van lijnen en punten. Noem het maar rustig een verwachtingspatroon, zoals je ook hebt als je naar klassieke muziek luistert. Het is niet expliciet, het ligt er niet bovenop, maar toch weet je vaak al snel hoe de volgende maat gaat verlopen en langs welke bocht de cadenzen naar hun verzadiging zullen stromen. Wie zich met mystieke teksten bezighoudt - en vooral als dat heel erg de breedte ingaat - herkent al snel een merkwaardige contour die op de achtergrond bijna altijd aanwezig is. Nog even kort voor wie hier nog niet zo lang meeleest en -luistert: met mystiek bedoelen we geen vage materie maar de concrete religieuze ervaringen van concrete mensen. Ooggetuigen van ontmoetingen met God. En wij verdiepen ons daar niet in omdat we gedreven worden door ongezonde nieuwsgierigheid naar de intimiteit van andere mensen. Wij proberen alleen een beter begrip te krijgen van ons eigen verlangen naar de vereniging met diezelfde God. Want die leeft per definitie in het innerlijk van elke mens. En die God is in vrijwel alle grote tradities niet zomaar een ‘god’ die deel uitmaakt van een grotere werkelijkheid die hem zou kunnen bevatten. Hij is in tegendeel de Absolute, de eerste Oorzaak en het Doel van alles wat bestaat. Een verhaal over een ontmoeting met die God wordt dan ook doorgaans al snel een verhaal over de meest uiteindelijke aard van alles. En zelfs als dat niet expliciet gebeurt, zit het besef van hoe alles met alles verbonden is en uiteindelijk in God samenkomt vaak alsnog vlak onder de oppervlakte van het verhaal verborgen. En logischerwijs dus ook dat alles op de één of andere manier de beeltenis van die God draagt, zijn handschrift, zijn karakter. Voor niks in heel de wereld geldt dat zo doordringend als voor de mens. Om het deftig te zeggen: nogal wat mystiek leert ons dat we in een fractale wereld leven waarvan God het eerste beginsel is. Logisch dat nogal wat mystici naar klassieke filosofische stelsels grijpen om hun godsontmoetingen te duiden. Daarbij maakt het nauwelijks uit of je met een christelijke, joodse of islamitische mysticus te maken hebt. Ze putten immers allemaal meer of minder rechtstreeks uit de filosofische erfenis van de oudheid. De filosofische stelsels die ze daarvoor uitkozen zijn doorgaans neoplatoons. Ze gaan dus terug op Plato, maar niet rechtstreeks. Ze ademen helemaal de geest van de laat-klassieke filosofen Porphyrius, Plotinus en Proclus. Die waren wel geïnspireerd door Plato, maar verwerkten diens stof op een heel eigen manier. Ze leefden zo rond de vierde en de vijfde eeuw na Christus. Ze brachten nogal graag de schematische ondergrond van de werkelijkheid in kaart met lijntjes en bolletjes, ik zei het al. Ze ontwaarden in de kosmos een soort energetische structuur. Al hun schetsen vertonen een patroon van het Absolute dat zich laat uitstromen in zich steeds verder uitsplitsende elementen. Ze beginnen dus op één ondeelbaar punt, dat als oorsprong van alles wordt gezien. Dat oorspronkelijke volmaakte Ene begint steevast over te stromen of van gedaante te veranderen. Zo ontstaan daaruit veelheden van werkelijkheden die dan uiteindelijk onze dagelijkse realiteit vormen, met al haar in stof uitgedrukte vormen, geuren en kleuren. De werkelijkheid van de geschapen, materiële wereld. En die is fractaal, zei ik al: De onderdelen van de realiteit vertonen in zich bij nadere beschouwing steeds weer hetzelfde tekeningetje van lijntjes en bolletjes. Alles is opgebouwd uit evenbeelden van het oerpatroon. Zoals onze ziel, bijvoorbeeld. Het kleine herhaalt steeds de structuur van het grote. Simpel samengevat komt het neoplatoonse beeld van de kosmos erop neer dat er in het begin een één en ondeelbaar Ene is. Het is niet persoonlijk en het heeft geen eigenschappen. Dat volgt uit het feit dat het één is. Om persoonlijk te zijn moet je je immers bewust zijn van jezelf. Jij die je van jezelf bewust bent zijn jij en jezelf, dus twee, niet één. En als je ook nog eens eigenschappen hebt ben jij er niet alleen met jezelf, maar ook nog met je eigenschappen. Je snapt de manier van denken, neem ik aan. Tegelijk kan dat Ene bij die neoplatonici niet anders dan overstromen en andere dingen voortbrengen uit zichzelf. ‘Emaneren,’ noemen ze dat. Het is geen scheppen uit vrije wil, het Ene is zich er niet eens van bewust, want het Ene heeft geen bewustzijn, zei ik al. Het wordt ook niet anders van al dat geëmaneer, trouwens. Het vermindert er niet door, wat er ook allemaal uitstroomt. Het is immers niks anders dan één. Dit hele proces werd vaak vergeleken met de zon, die hetzelfde blijft maar wel stralen uitzendt. Die vergelijking gaat trouwens mank, maar je snapt waarschijnlijk wel wat ze bedoelen. Bij Plotinus, de grondlegger van de stroming, brengt het Ene allereerst een intellectueel principe voort. Dat bevat de ideeën, de ideale blauwdrukken voor al het andere dat ooit zou kunnen bestaan. Wie het werk van Plato heeft gelezen, herkent er onmiddellijk de ideeënwereld in. Daaruit emaneert dan weer de ziel van de wereld, die heel het universum bezielt en bestiert. Ook de menselijke zielen emaneren daaruit. Die kijken naar boven, naar het intellect en naar de ideeën daarin en halen daar orde en inspiratie uit. Daarmee geven ze vorm aan de lagere materie beneden. Want hoe verder alles weg emaneert van het Ene, hoe materiëler het wordt. Uiteindelijk, zo ver verwijderd van het ene dat er niks meer te emaneren valt, is er alleen nog de vormeloze stof. Voor Plotinus is dat in feite het pure kwaad. Niet omdat het uit zichzelf slecht is, maar omdat het verstoken is van de invloed, de orde, vorm en sprankeling van het Ene. Niet voor niets noemde Augustinus, die sterk door het neoplatonisme beïnvloed was, het kwaad de ‘privatio boni,’ het ontbreken van het goede. Van daaruit kan het natuurlijk alleen nog maar beter worden: alleen nog terug omhoog, terug naar het Ene. En dat gebeurt dan ook. Er is niet alleen een uitvloeien van alles maar ook een terugbuigen naar het Ene. Proodos en epistrophe noemden de neoplatonisten dat, voortgang en terugkeer. Dit alles moet je niet zien als een opeenvolging van stappen in de tijd, trouwens. Het gebeurt allemaal tegelijkertijd en dus ook voortdurend. Een beetje te vergelijken met een netwerk waar stroom op staat. Het is niet moeilijk te begrijpen dat een dergelijke filosofie veel herkenningspunten bood aan mensen die hun geestelijke ervaringen probeerden te duiden. Die heimwee hadden naar een thuis waar ze nog nooit geweest waren. Die op de kop waren gezet door ontmoetingen met Iemand die ze nabijer was dan ze zichzelf waren, maar die tegelijk volkomen ongrijpbaar bleef. Ik schrijf ‘Iemand,’ geen ‘Iets,’ want ons beeld van God is in het Westen meestal uitgesproken persoonlijk. Niet alleen in het christendom, maar ook in de islam en het jodendom. Dat geeft ook al gelijk wel aan dat de filosofie van Plotinus moest worden aangepast om ingezet te kunnen worden als vertaalsleutel voor mystieke ervaringen van christenen, moslims en joden. Het onpersoonlijke en onverschillige Ene van Plotinus werd de persoonlijke God. Het willoze, onbewuste emaneren werd het bewust en actief scheppen. De eerste emanatie, het intellectuele principe werd de Logos, de Zoon van God. Dat waren nog best stevige ingrepen, die Plotinus en Proclus zeker niet zouden hebben geaccepteerd. Maar het resultaat was wel een raamwerk dat zo sterk was dat het bijna universeel werd. Op de achtergrond, dat wel, in ieder geval in het christelijke westen. Daar bereikten de neoplatoonse ideeën de mensen vrijwel alleen via de kerkvaders zoals Augustinus en Dionysius de Areopagiet. Zo waren Plotinus en Proclus op den duur stiekem overal, ook al hadden de meeste mensen nog nooit van ze gehoord. Iets vergelijkbaars gold voor de islamitische en joodse contexten, maar op een iets andere manier. Daar bleef wel degelijk werk van de oude filosofen zelf in omloop, maar onder een valse vlag, als de zogenaamde ‘Theologie van Aristoteles.’ De toeschrijving was absurd, maar de invloed was er niet minder om. Hoe dan ook geef ik hier even een schemaatje dat - vereenvoudigd - het beeld van de werkelijkheid in een paar mystieke subculturen in beeld brengt. Op één na zijn ze allemaal neoplatoons beïnvloed. De laatste niet, en veel van mijn collega’s zouden zeggen dat die hier ook helemaal niet thuishoort. Aan het einde van mijn verhaal, in de laatste aflevering van deze reeks, zal ik uitleggen waarom ik het toch even noem. (Als je op het schema klikt zou het groter moeten worden). Vandaag behandel ik dit schema tot en met Pseudo-Dionysius. De rest komt ergens in de komende weken aan bod. Enfin, zack-zack, allez-hop, aan het werk.

  5. Aug 1

    Zit God tussen je oren?

    Die God van jou, waar je zoveel houvast aan hebt, en die er altijd is als je aan Hem denkt? Zit die niet gewoon tussen je oren? Is elk gebed, elk gesprek met Hem niet gewoon een gesprek met jezelf? Want je loopt Hem niet tegen het lijf als je boodschappen gaat doen, of in het bos als je de hond gaat uitlaten. Je ervaart Hem alleen als je je terugtrekt in jezelf. “God zit dieper in mij dan mijn diepste innerlijk, en hoger dan mijn hoogste topje.” Dat is een wereldberoemde uitspraak van de heilige Augustinus. Het klinkt diep ontroerend en veel mensen moeten er een beetje van snotteren. Maar als je er even goed naar kijkt is het ook best verontrustend. Want als God dieper in je zit dan zelfs je onderbewuste, en meer jou is dan jij jezelf bent - want dat is wat er staat - wat blijft er dan van Hem over, apart van jou? Als de enige weg naar God naar binnen loopt, zit je dan niet gewoon tegen je eigen innerlijke spiegelbeeld te kletsen als je aan het bidden bent? De negentiende-eeuwse filosoof Feuerbach beweerde dat in ieder geval wel. Volgens hem is God niks anders dan de geprojecteerde, uitvergrote essentie van de mens zelf. Wat de mens in God meent te zien - liefde, almacht en goedheid - is volgens hem een spiegel van wat de mens zich wenst, maar naar buiten en omhoog geprojecteerd. En zo denken ook de meeste moderne psychologen erover. Er zijn tegenwoordig zelfs hersendeskundigen - dus geen psychologen maar serieuze wetenschappers - die roepen dat ze het gebed zelf zien oplichten op hun scans en dat dat het mysterie van God wel zo’n beetje heeft opgehelderd. Ik vind dat persoonlijk nog wat aan de haastige kant, maar enfin. Nou gaat het niet aan om voor dit soort vragen weg te lopen. Als je je geloof serieus neemt kan je God niet gaan lopen beschermen tegen de realiteit. God moet jou in standhouden, niet jij God. Vrijwel alle grote mystici hebben met dit probleem geworsteld, dus juist de mensen die zich het diepst hebben gewaagd in de jungle van het gebed en de ingewanden van God. Ook zij hebben het nogal eens over een spiegel, maar ze komen tot een andere conclusie dan de sceptische psychologen. Voor hen is de méns de spiegel, en God degene die in die spiegel kijkt. Zo wordt de mens wel heel letterlijk beeld en gelijkenis van God. De dertiende-eeuwse mysticus Rumi vertelde graag het volgende verhaal, dat in dichtvorm is overgeleverd. Het is wat aan de lange en breedsprakige kant voor de gefrituurde tiktokbreinen van tegenwoordig. Daarom geef ik hier maar even een vrije vertaling ervan. Het gaat over Mozes. Die trok eens door de velden toen hij een zacht gemompel hoorde vanaf een heuveltje even verderop. Op een dag hoorde Mozes hoe een herder tot God bad, O, God, o God, mijn Heer en nog wat verder dan dat, “Waar woont U toch, ik wil U dienen als uw trouwe knecht, Ik lap uw ouwe schoenen en ik kam uw kapsel recht. Ik was uw kleren en verjaag de schurft en de vlooien en ik breng U zoete melk van de beste van mijn ooien. Ik masseer uw zere voeten en kus uw zachte handen, ik stop U lekker in en poets U ook de tanden. Ik doe uw sokken en uw pyjama’s in de was, en ik stop ook nog de gaten in uw zondagse jas. Zo bazelde hij verder in kinderlijke waan, En maakte zo Mozes de kachel aan. Die vroeg hem: zeg, wat is dat hier voor dom geleuter? Tegen wie ben jij daar aan het kletsen als een domme kleuter? De Herder, in de war, verbaasd en ook nog ontzet, keek op en zag wie hem daar had gestoord in zijn gebed. Hij zei: “Ik bid tot God die heel de wereld heeft geschapen, mijzelf en ook de hemel en de aarde en mijn schapen.” Maar Mozes brulde: “Hou je bek, zo praat je niet met God, Straks is Hij nog beledigd en dan slaat Hij je kapot.” Je klinkt oneerbiedig, veel te familiair, je bedoelt het wel goed, maar je bent ordinair. Bewaar je goeie zorgen voor je makkers en je maten, God heeft geen lichaam, heeft geen slaap en ook geen jas met gaten.” De arme herder kromp ineen en zei het spijt me zeer, Sorry, sorry sorry en nog extra sorry meer. Hij zuchtte diep en scheurde ook zijn mantel nog kapot, en verdween in de heuvels, met zijn schapen en zijn God. Tevreden over zijn strenge doch rechtvaardige optreden wandelde Mozes verder door de velden. Hoe konden mensen toch zo dom zijn om te denken dat ze met God konden omgaan als met hun lijpe neefje? Zich voorstellen dat Hij zich ooit zou bezighouden met dezelfde onnozele obsessietjes als zij? Kapotte schoenen? Vlooien? Lieve Hemel! Maar toen donderde een openbaring uit de lucht, En het scheelde niks of Mozes sloeg ervan op de vlucht. En de stem van God zei, woedend als een ouwe buschauffeur; “Jouw verwaten kolder brengt mij smerig uit mijn humeur. Waarom jaag jij van mij mijn trouwe vrienden weg? Als je denkt dat Ik dat leuk vind, ja, dan heb je gloeiend pech. Heb ik je niet gestuurd om mensen éénheid te leren, Waarom loop je hier dan armelui te terroriseren. Was Ik het niet die jou en hem geschapen heeft, en jullie elk voor zich zijn eigen vorm van bidden geeft. Waar hij van droomt brengt in jouw strot de gal omhoog en jouw mooiste woorden klinken in zijn oren veel te droog. Ondertussen ben Ik boven die verschillen verheven, Ik ben, Ik leef, en sterker nog: ik bén het leven. Voor lui uit India klinkt alles beter in Sanskriet, En als Ik geen zes armen heb, herkennen ze mij niet. Voor jullie Perzen zijn alleen de woorden mij waardig, Die ik zelf gezegd zou hebben, en vooruit: die zijn best aardig, Maar hoe dan ook let ik niet op je woorden, op je taal, maar alleen op de bedoeling van je levensverhaal. Door jouw gebed word ik niet zuiverder dan Ik al ben, Maar weet dat ik van elk idee de wortel ken. Dansen en zingen, springen en gillen: Ik weet wat aan de oorsprong ligt van al die grillen. Wat moet ik met gebeden in gebeeldhouwde kwatrijnen, als diep in jou de monsters copuleren als konijnen. Ik heb niks aan metaforen en geciseleerde verzen, Uit de mond van iemand die maar steeds demonen uit blijft persen.” - Toen greep hij Mozes’ hart en legde er geheimen in, Van die hele tere, met een onbegrijpelijk zin. Die Mozes toch verstond, hij werd vervuld van klare taal, Zijn eigendunk smolt weg, het werd een heel ander verhaal. Hij raakte van zijn à propos en toen weer erop, Zijn onder zat nu boven en hij stond op de kop. Hij rende de woestijn in om het herdertje te zoeken, hij kon hem eerst niet vinden en liep als een gek te vloeken. Gelukkig duurde het niet lang voordat hij hem vond, toen stroomden er als water goede woorden uit zijn mond. Bescheiden en beschaamd zei hij: “het spijt me zeer, Sorry, sorry, sorry, sorry, en nog extra sorry meer. Flikker alles wat ik heb gezegd maar over de heg, Ik zat ernaast, ik was verblind en mijn verstand was weg. Stoor je maar niet meer - bij je gebeden - aan de vorm, Voor God zijn je bedoelingen de enige norm. Jouw onverstand is geloof, en jouw geloof Gods eigen Licht, waardoor de wereld wordt gered, waarvoor het duister zwicht. Het beeld dat jij aanschouwt, als je in de spiegel tuurt, Is van jou, niet van de spiegel die het naar je ogen stuurt. De adem ín de fluit is niet de adem ván de fluit, zonder een fluitist komt daar echt geen liedje uit. De radio houdt in zich echt geen diva’s gevangen, Hij krijgt ze uit de ether, al die operagezangen. Zo ook bij jou: wie jouw oprecht gebed bespot, die spot niet met jou, maar met de adem van God. Want die boeit het niet hoe hooggeleerd het bidden klinkt, maar alleen hoe eerlijk in die taal de liefde blinkt.” Dus, lieve kijkbuiskindertjes, als je iemand bidden hoort, bedenk je dan wel drie keer voordat je je eraan stoort. Rumi geloofde duidelijk dat het gebed van God zelf komt. Dat het bij iedereen weer anders klinkt, maar in essentie toch steeds hetzelfde gebed is. Zoals lucht die door een fluit wordt geblazen of licht dat op een spiegel valt. De fluit en de spiegel kleuren wel de klanken en beelden die je hoort en ziet, maar uiteindelijk is er stiekem alleen maar adem, alleen maar licht. En die adem en dat licht zijn niet van die fluit en die spiegel. Ze zijn afhankelijk van de fluitist, van de zon, van degene die in de spiegel kijkt. Van God, want daar is deze metafoor om te doen. Het gebed is niet van de bidder, maar van God. En dat geldt niet alleen voor je gebed, maar voor heel je bewustzijn. Je hier en nu. De zalige Jan van Ruusbroec maakt ergens de volgende opmerking: “God schept de mens uit het niets, dat Hij gaat halen uit het nergens. Daarom neigt die mens naar dat niets in dat nergens. Dan stroomt hij uit zichzelf weg in verlorenheid, Hij zinkt weg in het simpele Wezen van God als in zijn eigen Grond en hij sterft in God. En sterven in God: dat is zalig zijn, volgens Ruusbroec. Onze diepste grond is niet van onszelf, zegt hij, we krijgen die maar geleend van God. En als we ons dus inkeren in onszelf kan het niet anders of we komen Hem daar tegen. En net als dat herdertje van Rumi kleden we Hem dan aan en poetsen zijn schoenen en kammen zijn haar. Wij missen zijn essentie omdat we niet anders naar Hem kunnen kijken dan door ons eigen glas. En dat glas is gebobbeld en gekleurd en ook niet schoon. En hoe meer je je best doet om er iets door te zien, hoe troebeler het vaak lijkt. Want niet je moeite brengt je uiteindelijk bij God, maar je overgave. Je loslaten. Hoe harder je je inspant om er iets van te begrijpen, hoe stijver je je billen bij elkaar knijpt, hoe minder je van Gods waarheid te zien krijgt, en hoe meer van je eigen voorstellingsvermogen. Goed: de mystici zeggen dus dat het zelf van de mens het gevolg is van Gods aanwezigheid. De verlichtingsfilosofen en de hogepriesters van de moderne psychologie zeggen dat de ervaring van Gods aanwezigheid een gevolg is van het zelf van de mens. Precies het omgekeerde. Nou ben ik geen Amerikaanse apologeet, dus ik ga hier niet kinderachtig liggen te hakketakken. Je gelooft waar je zin in hebt, mij zal het worst wezen. Uiteindelijk is het toch wat het is, wat jij en ik er ook van vinden. Voor de volledigheid van het p

    Zit God tussen je oren?
  6. Jul 17

    Ben ik authentiek katholiek?

    Ben jij zo’n katholiek die de westerse beschaving beschermt tegen de homo’s, de islam en de boze meisjes met blauw haar? Hoef jij niet meer te piekeren over dingen omdat je op de dag dat je gedoopt werd hebt besloten om all in te gaan? Dus gewoon lekker alles te geloven en te doen zoals het in de catechismus staat? Ben jij zo iemand die zijn hele leven even kan vergeten bij de kerkdeur, of als je een katholiek boek pakt, of het katholieke internet opgaat? Schrijf jij “Traditie” met een hoofdletter ‘T?’ Ben jij altijd op zoek naar de zuiverste moraal en de onveranderde leer van Trente? Gefeliciteerd, dan ben je niet aan het katholieken, maar aan het larpen. (Intro) Larpen, voor wie er nog nooit van gehoord heeft, is live action role play. Je leeft voor een paar uurtjes, of liever nog een heel weekend, in een alternatieve wereld. Een wereld die een beetje op de middeleeuwen lijkt, maar dan zonder de stront en de ziekten. En mét een snufje magie. In die wereld ben je iemand anders, iemand die je zelf hebt kunnen bedenken. Als je normaal een onzeker kletsmeisje bent, ben je daar een vrouw die met haar blikken kan bevelen en die beweegt als een kat. Ben jij in je dagelijkse leven een nerveuze magere serverbeheerder, dan ben je daar een mysterieuze zwijgzame prins van wie de vrouwen zwak in de knieën worden. Enfin, je snapt het idee. Je kan er lekker helemaal in verdwijnen, maar tegelijk is het ook veilig. Je voert een dubbele boekhouding. Je wéét immers dat je aan het larpen bent, en de mensen die met jou meelarpen ook. Het is alsof je een lucide droom hebt: een droom waarin je weet dat je aan het dromen bent en waarin je dus alles kan laten gebeuren wat je wilt. En zodra je het bos uitloopt is het spel over, of in ieder geval op pauze gezet. Precies zo’n dubbele boekhouding zie ik op moment ook bij fanatieke katholieken, vooral de hele orthodoxe en traditionele. Degenen die, zeg maar, extra hun best doen. Volgens mij bedoelen ze het wel goed en hebben ze het ook zelf niet in de gaten, maar ze bewegen zich in twee werelden tegelijk. En van die twee is de katholieke vaak niet degene waar ze echt in léven, maar degene waarin ze dat leven juist even kunnen ontvluchten. Hun katholieke leven is niet hun realiteit, maar hun geestelijke vakantie-oord. Want ook jij bestaat, net als ik, in een wereld van iphones, evolutiebiologie en kwantummechanica. En ruimtetelescopen. Als je daarin koekeloert zie je sterrenstelsels die dertien miljard lichtjaar van ons vandaan bestaan. Of hébben bestaan, ooit. Ook jij weet van DNA en van dinosaurussen. Je weet dat de aarde vierenhalf miljoen jaar oud is en dat er duizenden godsdiensten bestaan of hebben bestaan. In verre oorden waar Jezus en zijn Evangelie net zo exotisch zijn als de zesde incarnatie van Vishnu hier. Maar waar de mensen evengoed voortdurend zoeken naar de God die ze hun bewustzijn en hun leven schenkt. En waar ze even goed houden van warmte en vrede en een hekel hebben aan haat en nijd. Maar als katholiek larpertje knijp je tegen dat alles je billen bij elkaar en prent je je in dat je een Europese middeleeuwer bent die nog nooit buiten zijn dorp is geweest. Dat de hemel een reeks van concentrische schijven is, waarvan de buitenste bezaaid is met gaatjes waardoor het licht van de hemel door het duister priemt in de vorm van sterretjes. Dat ergens daarboven een soort verdiepingen van wolkenslierten zijn. Daarop zitten de Vader, de Zoon, de Heilige Geest en alle heiligen en engelen. En die smeden plannetjes voor de mensen op aarde. Soms helpen ze je een parkeerplaatsje te vinden en soms laten ze je kanker krijgen of opvreten door een tijger. Dat geeft allemaal niks, want als je dan dood gaat hebben ze een soort eeuwige Efteling voor je klaarliggen. Tenminste, als je een beetje meewerkt met hun plannetjes. Die plannetjes droppen ze grotendeels in schriftelijke vorm, als iets wat we Bijbel noemen. Dat is niet ideaal, want de goddelijke Personen zijn klaarblijkelijk niet bijster bedreven in helder en consequent formuleren. Gelukkig weten ze dat zelf ook, dus hebben ze op aarde een ambtenarenapparaat van godgewijde mensen opgetuigd om hun schrijfsels uit te leggen. En regeltjes te stellen. Nou klinkt het alsof ik mijn eigen godsdienst niet serieus neem, maar het is juist andersom. Volgens mij is het christendom veel te kostbaar om te worden klemgezet in een primitief stadium uit een ondertussen ver verwijderd verleden. Godsdiensten zijn talen om het onuitsprekelijke toch te kunnen zeggen. En om, andersom, de Absolute te kunnen verstaan. Het zijn brillen om het goddelijke fundament van de werkelijkheid zowel te kunnen zien als jezelf eraan te tonen. Natuurlijk vindt elke godsdienst zichzelf minstens de beste en vaak de enige ware. En natuurlijk geldt dat ook voor ons, katholieken. Nou word je het over zoiets natuurlijk nooit eens, maar het lijkt er niet op dat we ons over het katholicisme bijzonder moeten schamen. Natuurlijk wordt het gedragen door mensen en die verputsen de zooi soms ongenadig. Maar als het op zijn best is en niet wordt misbruikt past het beestje zelf subliem op wie de mens is. Schepping, zondeval, verbond, incarnatie, verlossing, voleinding - het is allemaal te mooi om niet waar te zijn, minstens op de één of andere manier. Mits je de realiteit zoals die zich gewoon aan je voordoet wél respecteert. En dus niet gaat proberen de gekende waarheid te verdraaien om elk detail van je dogmatische constructie te laten kloppen. Kloppen op precies de manier die je altijd gewend was, ook nog. God gaat beschermen tegen de werkelijkheid. Want dat is, in het beste geval, smakeloos Amerikaans gedoe, maar meestal ook nog gewoon sektarisch. Als juist de mensen die pretenderen de Kerk en het Evangelie het meest ernstig te nemen het katholieke verhaal lezen als een sprookje - kinderachtig letterlijk en vloekend met de meest basale dagelijkse ervaring, dan maken ze het ongeloofwaardig. Want zij proberen zo wel trouw te zijn aan de traditie. Maar echte traditie leeft. Schiet wel op uit het erfgoed - dat dus ook gerespecteerd en gekoesterd moet worden. Maar leeft daaruit tegelijk ook altijd een heel nieuw leven. Hard traditionalisme maakt van het geloof een karikatuur. Een weekendje larpen, ook al is het dan elk weekendje. Want de kennis die je nou eenmaal hebt verdwijnt niet zodra je knielt naast je bank en een kruisje slaat. Wat je op het journaal hebt gezien en in de biologieles hebt geleerd verkruimelt niet in je brein als je je ogen opslaat naar de hemel. De hemel wil dat ook helemaal niet. Dus, nee, er was niet op een concrete dag een moment dat God zijn geduld verloor en heel de wereld verzoop. En in de evolutie van het leven op aarde, al die miljoenen jaren van mutatie en selectie, kan niemand precies het moment aanwijzen waarop er voor de eerste keer een mens verscheen. Een mens die kon liefhebben en nadenken, en die wist dat hij wist en wist dat zijn weten eindig was. En nee, Jezus hing dus niet te sterven omdat Hij een zoenoffer was voor een kwaaie narcistische Vader die nog steeds boos was over een gejatte vrucht van een paar honderdduizend jaar eerder. En die daarom iedereen in een eeuwige frituur wil gooien uit pure gekwetste trots. Als je de boodschap van het christendom ernstig wilt nemen zul je je ermee moeten verzoenen dat die boodschap je boven de pet gaat. Dat je het wel kunt vergeten er een definitieve formule voor te ontwikkelen en dan klaar bent. Zelf zou ik zeggen dat het er ongeveer op neerkomt dat God de dragende macht van het bestaan zelf is. Hij overstijgt ons wel, maar staat niet los van ons. Hij leeft van binnenuit met ons mee en houdt hartstochtelijk van ons. Wij hebben de neiging door onszelf, door onze begeerten en angsten, gefascineerd te raken. Daardoor vervreemden wij ons van Hem. Wij zijn Hem alleen zo lief dat Hij dat niet wil laten gebeuren. Maar Hij wil ook onze vrijheid geen geweld aandoen. Het draait erop uit dat Hij zijn onaantastbaarheid achter zich laat. Zich waagt in het donkerste en wreedste en hatelijkste van ons mens-zijn. Om ons daaruit weg te smeken. Om door zich te offeren de dood te doden, de kou te verdrijven, de haat te blussen en ons ervan te doordringen dat Hij aan onze kant staat, dat we Hem veilig kunnen aanvaarden en vertrouwen. En dat we daar letterlijk zalig van worden. Maar ook dat is weer een hoogstpersoonlijke momentopname op een hoogstspecifiek moment in een hoogstspecifieke cultuur. En dat is zoals het hoort. Niet omdat heel de traditie voortdurend moet worden aangepast aan de tijdgeest. Sterker nog: ik denk dat het tastbare, materiële en rituele stuk ervan nauwelijks door ons actief kan worden veranderd zonder het te vernielen. Dat is ook wel bewezen, want dat is precies wat in de vorige eeuw na het concilie is geprobeerd en mislukt. We moeten dat zo langzamerhand maar eens erkennen. Wat niet is aangenomen kan per slot van rekening ook niet worden genezen. Alleen de trage evolutie die ontstaat uit het eindeloze beleven en doorgeven verandert het gezicht van de Kerk op een gezonde manier. De Maar de interpretatie en de beleving van dat alles: dat is een totaal ander verhaal. Dat moet in het moment. Dat is niet alleen veranderlijk, maar zelfs vluchtig, omdat wij vluchtig zijn. Daarin wordt van ons souplesse verlangd, kwikzilver, ritme. Het is als een geestelijk dansen met God zelf als partner. Als we Hem willen vertrouwen moeten we ook met Hem mee durven te bewegen. Want de kern van het geloof is de levende God zelf, die nooit kan worden aangepast aan de tijdsgeest. Simpelweg omdat Hij is wie Hij is. Zonder onderdelen en eigenschappen. Onveranderlijk, onvergankelijk, essentieel zichzelf en verder niks. Maar dat is wél maar één aspect van Hem. Tegelijk is Hij ook God met ons, God zoals wij Hem in ons specifieke leven in onze specifieke tijden en omstandigheden ontmoeten. God zoals Hij zich aan ons voordoet, zoals Hij voor ons beschikbaar is in ons bewustzijn, ons hier en nu. En daar zien

    Ben ik authentiek katholiek?

About

Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie). www.paterhugo.nl

You Might Also Like