Promoveren aan de VU

Vrije Universiteit

Episodes

  1. 12/17/2012 ·  Video

    Karin Volkers

    Karin Volkers heeft onderzoek gedaan naar de invloed van bewegen en actief zijn op het verouderende brein. Het is bekend dat bewegen goed is voor je lichaam, spieren en uithoudingsvermogen. Maar bewegen is ook goed voor het geheugen en vooral voor de executieve functies. Dit zijn hersenfuncties die er onder meer voor zorgen dat je kunt plannen, je eigen gedrag kunt reguleren en remmen en flexibel kunt omgaan met situaties. Deze hersenfuncties zijn dus heel belangrijk voor met name het zelfstandig functioneren van ouderen. Uit eerder onderzoek was al gebleken dat je de achteruitgang van het brein, die normaal is bij veroudering, en de kans op dementie kunt je verkleinen door tijdens je leven actief te bewegen. In mijn onderzoek is bovendien duidelijk geworden dat ook langdurig niet bewegen slecht is voor het lichaam en het geheugen. Ouderen met een inactieve leefstijl, die vaak voorkomt in verzorgings- of verpleeghuizen, gaan dus sneller achteruit dan actievere ouderen. Als een oudere eenmaal bijvoorbeeld last heeft van geheugenverlies, of zelfs een beginnende dementie, kan een regelmatige wandeling nog helpen om de achteruitgang in de executieve functies te verminderen. Door te bewegen kan een oudere zijn gedrag beter reguleren, waardoor mogelijk ongewenst gedrag, zoals agressiviteit, kan afnemen. Voor de praktijk betekent dit dat het goed is als ouderen meer gaan bewegen. Veel ouderen kunnen bijvoorbeeld nog met of zonder hulpmiddel wandelen. Hoe meer je wandelt, hoe groter het effect op het brein. Natuurlijk zijn er nog meer activiteiten mogelijk, uit mijn onderzoek bleek dat oefeningen op en achter een stevige stoel, even intensief zijn als wandelen. Deze oefeningen kunnen ook in een groep uitgevoerd worden waardoor minder begeleiding nodig is. Om bewoners van een verzorgings- en verpleeghuis goed te verzorgen is dus niet alleen een goede nachtrust, drinken en drie maal daags eten nodig. Het is ook belangrijk dat ouderen voldoende bewegen.

  2. 12/17/2012 ·  Video

    Janneke Elberse

    Janneke Elberse heeft onderzocht hoe patiënten bij kunnen dragen aan het vormgeven en uitvoeren van onderzoek naar de gezondheid en het welzijn van mensen. Op dit moment is gezondheidsonderzoek voornamelijk ingericht vanuit het perspectief van onderzoekers in plaats van de vraag van patiënten. Daardoor wordt dergelijk onderzoek veelal vormgegeven door de ideeën en belangen van onderzoekers. De kans bestaat dan dat gezondheidsonderzoek niet patiëntgeoriënteerd is en niet de problemen en behoeften van patiënten worden onderzocht. Uit haar onderzoek blijkt dat patiënten goed in staat zijn om in een gefaciliteerd proces met onderzoekers hun behoeftes en ideeën voor onderzoek te verwoorden en onderzoeksonderwerpen te identificeren en te prioriteren. Daarbij verwoorden patiënten nieuwe onderzoeksonderwerpen die nu geen of nauwelijks aandacht krijgen in onderzoek. Om patiënten ook deel te laten nemen aan onderzoek is het belangrijk dat patiënten en onderzoekers elkaar in hun samenwerking stimuleren en ondersteunen. Voor een succesvolle deelname van patiënten aan onderzoek is het belangrijk dat onderzoekers open staan voor nieuwe invalshoeken en bereid zijn te experimenteren en te leren. Regelmatige gesprekken en een proactieve houding kan helpen om structurele relaties tussen onderzoekers en patiënten op te bouwen. Voor de praktijk betekent dit dat toekomstig gezondheidsonderzoek zich meer kan richten op de vragen en behoeftes van patiënten en zo problemen aanpakken die relevant zijn voor patiënten. Het actief betrekken van patiënten in wetenschappelijk onderzoek kan niet alleen de relevantie, maar ook de kwaliteit van gezondheidsonderzoek verbeteren. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld vragenlijsten worden verduidelijkt of patiënten kunnen meeschrijven aan onderzoeksaanvragen. Zowel patiënten als onderzoekers kunnen baat hebben bij een goede samenwerking. Door patiënten actief te betrekken bij wetenschappelijk onderzoek sluit het onderzoek beter aan bij de behoeften van patiënten. Ook zal op die manier onder patiënten meer draagvlak voor wetenschappelijk onderzoek ontstaan.

  3. 12/17/2012 ·  Video

    Margot van Wermeskerken

    Als je een voorwerp wilt pakken bepalen je hersenen welke grijpbeweging je arm en hand moeten maken om het voorwerp te kunnen pakken. Maar volwassenen handelen niet altijd naar wat ze zien. Als een voorwerp door een optische illusie groter lijkt, blijft de grijpbeweging namelijk nauwkeurig afgestemd op de echte grootte van het voorwerp. Dat komt doordat er in de hersenen twee systemen zijn die dit coördineren. Het ene systeem zorgt voor het zien van de omgeving, terwijl het tweede systeem betrokken is bij het uitvoeren van de grijpbeweging. Margot van Wermeskerken heeft onderzocht of deze functionele tweedeling van het visuele brein al bestaat bij zeer jonge baby’s, die het reiken en grijpen nog maar net beheersen. Uit haar onderzoek blijkt dat het visuele brein al op zeer jonge leeftijd uit twee systemen bestaat. De belangrijkste aanwijzing daarvoor vond Margot bij een experiment waarin baby’s konden kiezen welke van de twee badkikkers ze wilden pakken. Beide badkikkers waren even groot, maar door een optische illusie leek de ene badkikker verder weg te zijn dan de andere. De meeste baby’s grepen naar de kikker die schijnbaar het dichtst bij was, terwijl de grijpbeweging afgestemd was op de werkelijke afstand van de badkikker. Dus ook al lijkt het ene voorwerp verder weg dan het andere, de hersenen zijn toch in staat de juiste afstand in te schatten. Voor de praktijk zou het heel interessant zijn om te kijken of een dergelijke tweedeling van het visuele brein ook aanwezig is bij baby’s met een ontwikkelingsstoornis. Door hetzelfde experiment te doen kun je bijvoorbeeld bepalen of zij die tweedeling al wel of niet hebben. Op die manier kun je op basis van aanwijsgedrag iets zeggen over de ontwikkeling van de hersenen, zonder dat hierbij bijvoorbeeld een hersenscan gemaakt moet worden.

  4. 12/17/2012 ·  Video

    Arne Nieuwenhuis

    Arne Nieuwenhuis heeft onderzocht wat er gebeurt met de schietvaardigheid van politieagenten wanneer zij zich in een angstige situatie bevinden en hoe training dit kan verbeteren. Politieagenten worden wereldwijd in hun werk steeds vaker geconfronteerd met dreiging met vuurwapens. Schietincidenten zijn zeer stressvol voor politieagenten en kunnen levensgrote gevolgen hebben. Toch was er tot nu toe maar weinig bekend over het effect van angst op de schietvaardigheid van politieagenten. Uit zijn onderzoek blijkt dat een realistische training ervoor zorgt dat politieagenten nauwkeurig blijven schieten wanneer ze bedreigd worden met een mes of vuurwapen. In de training werd de praktijk zo realistisch mogelijk nagebootst door op politieagenten te schieten met verfpatronen of door ze aan te vallen met een elektrisch geladen mes. Die dreiging leidde vrijwel altijd tot verhoogde angst bij de agenten. In het begin schoten de agenten daardoor eerder, schoten ze vaker per ongeluk op onschuldige verdachten, en schoten ze beduidend minder nauwkeurig dan wanneer ze schoten zonder die dreiging. Maar door de agenten drie tot vier keer op deze manier te trainen leerden ze uiteindelijk om net zo nauwkeurig te blijven schieten als in een situatie zonder dreiging. Voor de praktijk is het belangrijk dat politieagenten ook onder dreiging een goede schietvaardigheid hebben. Zijn onderzoek heeft laten zien dat een realistische training daar voor een belangrijk deel aan bij kan dragen. Daarnaast is het op basis van zijn onderzoek op den duur mogelijk om in verschillende praktijksituaties te voorspellen wat het effect van angst is op de schietprestaties van politieagenten. Door deze kennis in te zetten tijdens training en opleiding kan de veiligheid en effectiviteit van politieagenten in de toekomst verbeteren.

More From Vrije Universiteit Amsterdam